Toerverhaal: Architectuurparels in de banlieues van Parijs

We gaan naar Parijs, stad van licht, romantiek en eindeloze charme. Maar dit keer laten we de Eiffeltoren, de Champs-Élysées en Montmartre links liggen. Onze bestemming? Les banlieues, de buitenwijken van Parijs, een toeristische no-gozone. We trekken eropuit voor een roadtrip langs de rauwe schoonheid van het Parijs buiten de Périphérique. Want verrassend genoeg liggen hier opmerkelijke architecturale parels verscholen.

De banlieues verrezen in de nasleep van de oorlog. De immense flatwijken aan de rand van Parijs waren bedoeld als snelle huisvestingsoplossing voor arbeiders en migranten, vooral uit Noord-Afrika. Wat begon als modern en veelbelovend, werd al snel een afgesloten wereld: verwaarloosd, vergeten, een plek zonder dromen. In de jaren 80 en 90 liep de spanning er op: werkloosheid, criminaliteit en discriminatie vermengden zich tot een explosieve mix. Regelmatig braken er rellen uit, die de aandacht van de hele wereld trokken.

Toch schuilt er in deze ruwe periferie ook een onstuitbare kracht, een bruisende cultuur die weigert te verdwijnen. In deze urban jungle groeien de ‘jeunes de banlieue’ op, te midden van experimentele architectuur die her en der als een soort stille rebellie oprijst. Hier geen klassieke Parijse grandeur, maar een unieke mix van modernisme, brutalistische meesterwerken en verrassende urban designs.

Op een vrijdagmiddag dirigeren we onze machines naar het westen. Via een tussenstop in Signy-lʼAbbaye, langsheen Les Amis Du Circuit de Gueux – wat is dat toch een unieke plaats – rijden we Parijswaarts. Er hangt een collectieve kriebel in de lucht. Het vooruitzicht om deze plekken juist op een feestdag te bezoeken, wanneer iedereen buiten lijkt te zijn, in combinatie met het opgefokte imago van jongeren uit de banlieue, maakt het gezelschap opmerkelijk waakzaam.

Hieronder volgt een overzicht van al het moois en merkwaardigs dat we op onze roadtrip voorgeschoteld kregen.

Les Orgues de Flandre

In het 19e arrondissement rijzen enkele reusachtige gebouwen op die zo uit een sciencefictionfilm uit de jaren zeventig lijken te komen. De hoogste blokken hellen naar elkaar over, alsof ze door onbekende krachten naar elkaar worden toegetrokken. Er zijn hier nauwelijks mensen op straat, we zijn er zowat alleen. De grijze betonnen gevels zijn geribbeld en weerbarstig. Ze dragen littekens van de tijd, en lijken daardoor perfect in harmonie met hun omgeving. Les Orgues de Flandre werd tussen 1973 en 1980 gebouwd door de Duitse architect Martin Schulz van Treeck, ter vervanging van de vervallen arbeiderswijk ‘Cité des Flamands’, die er voordien stond. Wanneer we even tussen de gebouwen door wandelen, hebben we het gevoel dat we worden bekeken. Niet door de schaarse passanten, die ons straal voorbij wandelen, maar door de betonnen constructies, die als roddelende buren naar elkaar toe buigen. Les Orgues lijken geen flatgebouwen, maar levende monumenten, in een evenwichtsoefening.

We rijden over de Passerelle de la Rue de Cimée, richting ons volgende architecturale pareltje. De passerelle is een van die sierlijke voetgangersbruggetjes over het water die je in de banlieues plots tegenkomt; niet groots, maar wel karaktervol, tegen de moderne, rommelige achtergrond van de buitenwijken.

Philharmonie de Paris

Met de de Philharmonie de Paris blijven we nog even in de sciencefictionsfeer, maar van een totaal ander kaliber. Deze futuristische klassieke concertzaal lijkt wel een gestrand ruimteschip, dat een noodlanding heeft gemaakt in het Parc de la Villette. Dreigend, ietwat te groot, en met een golvende metalen huid als van een organisch slagschip. Het gebouw telt zes verdiepingen en heeft een intrigerende, door Escher geïnspireerde vormgeving. Door de façade van 340.000 aluminium vogels lijkt het gebouw vanaf een afstand te bestaan uit glanzende visschubben. Deze avant-gardistische kathedraal van de klank, ontworpen door Jean Nouvel en na jaren vertraging en kostenoverschrijding ingehuldigd in 2015, is voor mij een beetje een diva die alle aandacht naar zich toetrekt. Maar niet te missen als visuele stopplaats.

Parking Relais du Mont D’Est

De rit gaat verder. We gaan op zoek naar de ingang van de nogal bizarre, half verlaten Parking Relais du Mont d'Est in Noisy-le-Grand. Niet eens zo eenvoudig voor een auto om binnen te geraken, maar wij zijn op twee wielen en dan is er altijd wel een kiertje te vinden. De Relais staat erbij als een relikwie van een toekomst die nooit is gearriveerd. De parking is opgebouwd uit twee grote witte, organische spiralen die de hellingen vormen: vloeiende penseelstreken van (inmiddels wegterend) beton. Het oogt als een verlaten tempel voor auto’s. Op de vier niveaus staan nauwelijks vierwielers en heerst er een oorverdovende stilte. Trappen voeren omhoog naar niets en onze motoren rijden vrolijk via 360°-bochten naar boven en naar beneden, maar er is enkel verlatenheid te vinden. Parking Relais du Mont d’Est – interessant voor wie eens wil parkeren in een sfeer van existentiële jaren zeventig-desolaatheid, midden in een druk bewoond gebied.

Les Espaces d’Abraxas

We kunnen er nog niet mee stoppen. De ene verrassing volgt op de andere. We komen nu bij het ware theater van de banlieues. Deze monumentale fantasie van de Spaanse architect Ricardo Bofill is tegelijk een utopisch decor en een dystopische droom. Kolommen, bogen, arcades – alles ademt antiek theater en grandeur, maar dan in volumineuze betonconstructies. Deze theatraal ogende proeve van postmoderne architectuur rijst op als een overmoedig filmdecor – wat het uiteindelijk ook is geworden: de combinatie van de grootsheid, het dramagehalte en de dystopische looks trokken ook de aandacht van de productieteams van de kaskrakers The Hunger Games en Brazil. De leegtes tussen de volumes echoën. Er is hier geen levende ziel te bekennen. Bofills had het complex bedoeld als sociaal wooncomplex, maar dat idee viel niet direct in de smaak. De plek was weinig gewild als woongebied – te ver weg van alle voorzieningen – en men vond het ontwerp nogal intimiderend. Dat is het ook. Het is groots, absurd, schitterend en een beetje unheimisch.

Les Arénes de Picasso

Nog zo’n juweel: Les Arénes de Picasso (ook bekend als Les Arènes de Montreuil, of Les Camemberts), ontworpen in de jaren tachtig, in een periode waarin architecten en stadsplanners probeerden nieuwe vormen van samenleven in de banlieues te creëren. Met een ronde, amfitheaterachtige structuur wilden ze een plek maken die uitnodigt tot ontmoeting, cultuur en openheid. Maar zoals vaak het geval is met grootschalige sociale projecten, leed de ambitie schipbreuk op de weerbarstige realiteit van het dagelijkse leven. Het gebouw, met zijn ruwe betonnen gewelven en tribunes, voelt als een uitnodiging en een uitdaging tegelijk. Tijdens ons bezoek werden we binnen de minuut geconfronteerd met een groep jongeren die hun territorium met de nodige verbale en gesticulerende uitingen afbakenden. De buffkes en de kappen van de hoodies gingen onmiddellijk in incognito-modus. ‘Les jeunes’ bewaken ‘hun’ plekken met een mix van bravoure en ongeschreven codes. We voelden ons op zijn zachts gezegd niet helemaal welkom. Les Arénes de Picasso, het is een plek waar het beton spreekt – letterlijk: de muren zijn er volgekalkt met graffiti – en jongeren het podium pakken.

Les Arcades du Lac

We rijden verder naar een ogenschijnlijk verlaten oase van beton en glas, strak uitgelijnd langs het water. De architecten van Les Arcades du Lac, met opnieuw Ricardo Bofill als ontwerper, wilden een harmonieuze combinatie creëren tussen architectuur en natuur. Hun bedoeling was om een modern wooncomplex te ontwerpen dat aanvoelt als een rustige, bijna idyllische plek. De symmetrie en spiegelingen in het meer een moesten een sfeer van kalmte creëren midden in de banlieue-chaos. Op de betonnen vlakte te midden van de massieve gebouwen heerst nu een doodse, surrealistische stilte. We zijn hier opnieuw alleen, op een zonnige zondag, op een plek met echo’s van grootse plannen die ergens onderweg zijn gestrand.

L’Axe Majeur

De avond is al ingevallen als we via het mechanische kunstwerk van staal en glas ‘Horloge Deslandes et Huchez’, naar L’Axe Majeur rijden: een 3,2 kilometer lange futuristische en knap verlichte promenade van staal. Een rechte streep die de horizon lijkt te willen doorboren. De structuur ligt exact in lijn met de Champs de Mars, en creëert zo een directe visuele verbinding met de centrale as van de hoofdstad. Het rode, monumentale kunststuk vormt een indrukwekkende verbinding tussen stad en natuur, met uitzichtpunten die je uitdagen om even stil te staan en de banlieues vanuit een ander perspectief te zien. Een symbolische route die de ambitie van deze buitenwijk in één blik vangt: groots, onstuimig en moeilijk te bevatten.

Welkom in Y

En omdat we dan toch gelanceerd zijn in het ongewone, sluiten we de terugrit van dit ‘weekendje banlieues’ af met nog twee rariteiten op de terugweg. We passeren we ‘Y’, een piepklein dorpje n het Somme-departement met de kortste naam ter wereld. Daar hoort een leuke anekdote bij: als gevolg van een menselijke creatieve work-around op een stamboomwebsite verschenen tienduizenden mensen ten onrechte met dit dorp als plaats van overlijden. De databeheerders noteerden simpelweg ‘Y’, als ze onvoldoende info hadden. Zo werd Y tijdelijk online bekend als ‘de plaats des doods’. Maar dat is niet de reden dat Y op de to-do-lijst staat van heel veel reizigers. Het plaatsnaambord aan het einde van het dorp, met slechts 1 letter en een rode streep, moet zowat het meest gefotografeerde van Frankrijk zijn.

Als afsluiter reden we nog langs de oevers van de Oise, doorheen het Familistère de Guise. Deze bakstenen utopie werd bedacht door de idealistische industrieel Jean-Baptiste André Godin en gebouwd tussen 1859 en 1884. Het lijkt op een paleis, maar was bedoeld om het leven van de arbeiders te verbeteren door hen niet alleen fatsoenlijk onderdak te bieden, maar ook toegang tot cultuur, onderwijs en hygiëne. Hier werd dus niet alleen gewoond, maar ook samengeleefd, met theater, school en badhuis onder één dak. Een droom in steen gegoten, lang voordat het sociaal wonen heette.

Vanaf hier zoeken we de autostrade op, zetten de cruisecontrol aan en keren huiswaarts. Maar in ons hoofd blijven de banlieues nazinderen …

Parijs: architectuurparels in de banlieues

Tekst en foto's: Pieter Pacques

Geschreven op 4 februari 2026
© Motoren & Toerisme