Tom Vander Sande trok naar het zuiden des lands om er een prachtrit uit te stippelen tussen de drie Waalse trappistenabdijen.
Tom Vander Sande trok naar het zuiden des lands om er een prachtrit uit te stippelen tussen de drie Waalse trappistenabdijen.
Er zijn motorritten die je bijblijven om de bochten, en andere om wat er aan het eind van de rit op je wacht. In mijn geval is dat laatste vaak een trappistenbier. En als ik eerlijk ben: meestal is dat Orval. Niet alleen omdat het mijn favoriete bier is, maar omdat de Abdij van Orval voor mij alles samenbrengt wat reizen zin geeft: geschiedenis, vakmanschap en een omgeving met kronkelend asfalt. De prachtige legende met de forel en ring zijn de kers op de taart.
De afgelopen twintig jaar hebben de trappistenbieren een weg afgelegd die minder rechtlijnig is dan het etiket doet vermoeden. Wie denkt dat abdijmuren verandering buiten houden, heeft duidelijk nooit gekeken naar de recente geschiedenis van de Belgische Trappisten. Begin jaren 2000 leek het landschap stabiel. België telde zes trappistenbrouwerijen, waarvan drie in Wallonië: Orval, Chimay en Rochefort.
Wallonië is het kloppend hart van de trappistentraditie. Niet omdat er het meeste volume wordt gebrouwen, maar omdat de abdijen er verweven zijn met hun omgeving. Westvleteren heeft ook zijn charme, maar van Westmalle gaat mijn motorhart niet echt sneller slaan. Naar Achel ben ik ooit een half uurtje op zoek geweest, en dat verklaart misschien waarom het in 2021 het trappistenlabel verloor. Zelfs met het betere bier binnen handbereik wil niemand nog monnik worden.
Orval is zoals gezegd mijn favoriet, en van vele van mijn vrienden. Het bier is een buitenbeentje: droog, hoppig, bitter en eigenzinnig. Net zoals de abdij zelf, die half ruïne is, en half levend monument. In de afgelopen twintig jaar veranderde Orval nauwelijks van koers, en dat is misschien net de grootste kracht. Terwijl elders geëxperimenteerd werd met nieuwe stijlen en edities, bleef Orval trouw aan haar ene bier. Geen marketingstunts, geen varianten. Alleen verfijning in stilte.
Chimay bewandelde een ander pad. De abdij van Scourmont groeide uit tot een internationale ambassadeur van de Trappisten. De laatste twee decennia zag je daar een duidelijke professionalisering: nieuwe bezoekerscentra, herpositionering van de klassieke Chimaybieren en beperkte edities die het erfgoed onderstreepten. Het bleef trappist, maar met een meer commerciële blik naar buiten die de eigenheid zou kunnen aantasten. In mijn ervaring is er ook een ander gevaar: zelfs geoefende drinkers overleven zelden een derde Chimay Bleu.
Rochefort bleef dan weer de stoere Ardenner. Minder zichtbaar, minder uitleg, maar met een bierassortiment dat staat als een huis. Rochefort 8 en 10 zijn geen bieren die je drinkt na een snelle rit; het zijn bieren voor het moment dat de motor al lang stil staat en de dag zakt.
In de afgelopen twintig jaar veranderde Rochefort ook nauwelijks van strategie, en dat leverde hen een haast mythische reputatie op, die het dichtst aansluit bij de wereldroem van Westvleteren. Maar roem is o zo vergankelijk. Alcohol ligt in het algemeen onder vuur en daar lijden de trappistbieren mee onder. Hun flexibiliteit om in te spelen op nieuwe trends is bovendien eerder beperkt. Een Orval NA lijkt mij erger dan vloeken in de kerk …
Dat brengt ons bij de kern van het verhaal van de afgelopen twintig jaar: trappistbier is geen product, maar een fragiel ecosysteem. Het hangt af van roepingen, van stilte, van mensen die kiezen voor een leven dat haaks staat op snelheid. In een wereld die steeds luider wordt, is dat geen evident pad meer. En toch, telkens wanneer ik Orval bezoek, lijkt het alsof de tijd even geen vat heeft. Een glas Orval in de hand, de ruïnes op de achtergrond, de motor die afkoelt – dat moment blijft onveranderd. Misschien is dat wel de ware kracht van de trappisten: niet dat ze de tijd trotseren, maar dat ze je eraan herinneren hoe traag tijd eigenlijk kan zijn. Al is dat makkelijk gezegd, met een Italiaanse schone met 120 pk achter de hand.
Tekst: Tom Vander Sande
Foto's: Bob Van Mol