Tante Sidonie gaat op reis ...

Een cursus overlanden in vier stappen

In 2007 reed ik met Trui Hanoulle zeven maanden door evenveel islamitische landen, goed voor 30.000 kilometer en een onvergetelijke ervaring. De beslissing om dat opnieuw te doen was even eenvoudig als evident, de tijd vinden iets complexer – maar afgelopen herfst, bijna 20 jaar later, ging het eindelijk richting Pakistan. Want het mag dan zo zijn dat je altijd iets moois moet laten liggen voor later, ooit moet je er daadwerkelijk heen om het te zien. Ook deze ervaring zal ik niet licht vergeten. Want intussen blijkt de wereld flink veranderd, en dat laat zich op vele manieren voelen. In het volgende nummer Motoren & Toerisme lees je alles over onze reis.

Maar wie weg wil, moet eerst haar/zijn koffers pakken. Wat neem je mee als je honderd dagen gaat motorrijden tussen de hoogste bergen ter wereld? Hoe begin je aan zo’n avontuur, en wat zijn de voornaamste valkuilen? Hier volgt een Verkorte Cursus Overlanden in vier stappen – tips & tricks, door schade en schande geleerd.

1. Kopen, bouwen of verbouwen?

Nee, ik heb het niet over de Belgische baksteen in de maag, maar over de perfecte overlandmotor. Vooreerst: de juiste motor bestaat niet. Iedereen heeft andere wensen (licht, comfortabeler, duo of niet, …) en een andere portemonnee. En elke keuze is een compromis. Zelf hecht ik meer waarde aan minder gewicht dan aan meer pk’s – op de wegen die ik uitkies is sneller geen voordeel, en door een prachtig landschap jakkeren is niet mijn ding. De allernieuwste technische snufjes interesseren me ook matig; eigenlijk heb ik het liefst een ouderwetse motor met zo weinig mogelijk elektronica, zodat die bij wijze van spreken met een hamer en een steeksleutel gerepareerd kan worden. Want dat is meestal toch de realiteit. Wij kochten twee tweedehands Honda CRF 250’s – nu iedereen de 300 wil, waren die een stuk goedkoper. Aanpassingen deden we bijna niet. We monteerden wel valbaren (goed idee, bleek later), handvatverwarming (briljant idee, bleek al snel) en een makkelijk bereikbaar laadpunt (al blij mee op dag een). Én we monteerden een betere vering (onontbeerlijk). Daarmee moesten we het dan maar doen.

Banden waren een discussiepunt: hoe harder, hoe minder kans op een platte band, maar hoe meer miserie om de band te verwisselen als je toch lek rijdt. Na lang aarzelen besloten we dat de band er manueel zonder hulp afhalen sowieso lastig zou zijn, en dus kozen we voor de Mitas E07 Enduro (nu Mitas Enduro Trail) in de hardste versie. We reden geen platte banden – kan geluk zijn, maar als ik terugdenk aan alle potholes en scherpe asfaltranden, geef ik toch de credits aan de goeie banden.

Heb ik mijn trouwe DR 650 gemist, waarmee ik in 2007 zeven maanden onderweg was, en waaraan we maanden van te voren sleutelden om hem perfect in orde te zetten voor de reis? Soms. Die paar keer dat ik die paar pk extra goed had kunnen gebruiken. Maar heel vaak ook niet. Want de CRF’s waren als mountainbikes zo licht, en in vergelijking met de lokale brommertjes die ons op de gekste plekken voorbij snorden, nog steeds ‘overkill’.

2007, met de trouwe DR.

2. De kleren maken de man. Of de vrouw. En de motor.

Denk in laagjes. Het klinkt als iets wat iedereen weet, maar op onze reis reden we in temperaturen tussen -15 en +40 graden. Geen van beide is ideaal, en als je het kan vermijden, zou ik het doen, maar als het dan toch moet, is een uitritsbare gore-tex echt tof. En die ene dag dat het giet, ben je toch blij dat je hem bij hebt. Verder ben ik een grote fan van safety first. Zelfs als ik vijf minuten naar het postkantoor rijd, trek ik mijn laarzen, handschoenen, rugschild en motorbroek aan. En mijn helm. Klinkt onnozel, zeker als je in die outfit in de hitte over de markt baggert, maar als ik het niet had gedaan, had de botsing met die auto die zonder kijken achteruitreed in Gilgit waarschijnlijk het einde van onze reis betekend. Nu kwam ik er met wat blauwe plekken vanaf.

En wat met de motor? Harde koffers of zachte zakken? Een rek of niet? Ook hier heeft alles voor- en nadelen. Harde koffers kunnen op slot, en je kan er op zitten als je kampeert. Maar als je voet eronder zit, of als je omkukelt op een stenige piste, ben je er minder blij mee. Op zo’n moment kan een zachte zak je een gips (of erger) besparen. En een rek geeft stabiliteit, maar weegt ook best veel. Wij kozen dit keer voor een set-up van kleine tasjes vooraan en Mosko’s van 80 liter achterop, waarbij we de Stinger vervingen door een wat grotere Ortlieb. Want met tent, kampeer- en kookgerei, water en eten viel het qua ruimte toch wat tegen. Extra benzine is ook altijd een goed idee – de Desert Fox Fuel Bladder is een prima oplossing, maar denk eraan dat dit in sommige landen verboden is.

3. Ride or rent?

Ik wist het al, dus ik had het kunnen weten: motoren verschepen is altijd gedoe. Of je ze nu in een vliegtuig, op een schip of op een truck zet: het is altijd duur(der dan verwacht) en administratief complex. Bovendien maakt de huidige geopolitieke situatie het er niet makkelijker op, noch voor de reizigers noch voor de transporteurs. Steeds vaker blijven motoren steken aan grenzen, werkt het klimaat tegen of zorgen andere hickups voor vertragingen. En als je maar twee weken vakantie hebt, word je daar niet vrolijk van.

Dus, ter herinnering, de vuistregel: als het kan, rij dan gewoon – sommige grenzen zijn lastig, maar zolang je op je motor zit is die tenminste geen cargo. En als dat niet kan, check dan toch maar even of je niet gewoon lokaal een motor kan huren – wat dan wel weer lastig is als je ermee een grens over wil. In alle andere gevallen: blijf zen, want dat is de kunst van het motor-verschepen.

4. Ken je talen!

Reizen is communiceren, vinden wij. En dus is het maar zo beleefd dat je op z’n minst een beetje de taal/talen spreekt van de landen waar je doorheen reist. Zeker als je graag bij families thuis overnacht – wat altijd fijner is als je echt met mensen wil praten – en niet alleen aan de receptie van een hotel je sleutel wil afhalen. Maar zelfs dan is het toch net iets handiger als je je zonder vertaalappje verstaanbaar kan maken. Want in de stad lukt het allemaal nog wel, maar als je in the middle of nowhere een probleem krijgt en er geen internet is, kan het bijzonder praktisch zijn als je dat kan uitleggen aan die ene herder die toevallig langskomt.

Al blijft het verrassend hoever je komt met gebarentaal: een platte band legt zichzelf zonder woorden uit, verbrande koppelingsplaten ook. Toch waren we in Kirgizië bijzonder blij met ons mondje Russisch. Want hoewel veel jongeren tegenwoordig Engels leren, is communiceren lang niet altijd evident. Ook niet bij de douane of aan kleine grenspostjes. China is een ander paar mouwen: de enige twee talen die daar frequent gesproken worden zijn Chinees en luider Chinees, al spraken (gelukkig voor ons) sommige beambten ook Russisch, omdat er in Xinjiang zoveel etnische minderheden wonen. Eenmaal in Pakistan werd het een stuk makkelijker: nergens hoorden we vaker de zin ‘Welcome, my friend!’

Het reisverhaal

Het eerste deel van Gaea’s reisverhaal, van Kirigizië tot Pakistan, lees je in het volgende nummer van Motoren en Toerisme, dat verschijnt op 19 maart 2026.

Geschreven op 27 februari 2026
© Motoren & Toerisme