Route: Diest en omstreken

Het goede weer is er, de dagen zijn lang — ideaal dus om eropuit te trekken voor een halvedag citytrip. Je kan vertrekken bij zonsopgang en tegen de middag al genieten van een welverdiende pauze, of net na de lunch vertrekken en tegen de avond nagenieten op een gezellig terras.

Een halve dag door Diest en omstreken

Deze rit start in Diest en eindigt, zoals het een goede gewoonte betaamt, opnieuw in dezelfde stad. Diest is een charmant stadje met een bijzonder gezellig marktplein, omzoomd door uitnodigende terrasjes — de perfecte plek om je rit af te sluiten.Dat Diest kan bogen op een rijk verleden merk je al van zodra je de stad nadert. De geschiedenis gaat hier niet zomaar enkele generaties terug, maar reikt duizenden jaren ver. Al rond 3000 voor Christus was er sprake van een eerste nederzetting. De stad ontwikkelde zich verder dankzij haar ligging in de vallei van de Demer, die eeuwenlang een belangrijke transportader vormde voor handelswaren.

Vetrekken bij zonsopgang.

Het historische centrum is vandaag mooi gerestaureerd en ademt nog steeds die rijke geschiedenis uit. De grootste bloeiperiode, maar tegelijk ook de meest woelige tijd, situeert zich in de 16de en 17de eeuw.

Halverwege de 15de eeuw kwam Diest in handen van het Huis van Nassau, wat het begin betekende van een periode van groei, maar ook van politieke en militaire onrust. Vandaag maakt Diest, samen met Breda(NL), Dillenburg(D) en Orange(F), nog steeds deel uit van de Unie van de Oranjesteden.

In de binnenstad vind je tal van getuigen van deze “Nederlandse” periode, waaronder het Hof van Nassau. Filips Willem van Oranje verbleef hier graag en ontving er zijn gasten, onder wie de aartshertogen Albrecht VII van Oostenrijk en Isabella Clara Eugenia. Volgens sommige bronnen zou zelfs Keizer Karel V hier ooit gelogeerd hebben.

Een discrete blik op de Diestse Grote Markt met links het stadhuis en rechts een stukje van de Sint-Sulpitius- en Dionysiuskerk.

Citadel van Diest

Diest verlaten zonder even halt te houden bij de citadel? Dat zou zonde zijn. Je moet er wel even voor van de route afwijken, want er loopt geen doorlopende weg langsheen, maar het is absoluut de moeite waard.

Een citadel is een militair bouwwerk dat vaak tijdens de Spaanse overheersing werd opgetrokken. Enerzijds diende zo’n versterking als verdedigingslinie tegen vijandelijke aanvallen, anderzijds hield ze ook de eigen bevolking onder controle. Citadels bevinden zich doorgaans op een hoger gelegen punt in of rond een stad — denk maar aan de Citadel van Dinant en de Citadel van Namen.

De citadel van Diest vormt hierop echter een uitzondering. Ze werd pas in de 19de eeuw gebouwd, niet tijdens de Spaanse periode, maar als verdedigingswerk tegen de noordelijke Nederlanden. In 1830, bij het ontstaan van België, lag deze citadel strategisch aan de grens en moest ze een eventuele opmars richting Brussel van noordelijke vijandigheden tegenhouden. Tot 2011 fungeerde de citadel als kazerne voor het 1e Bataljon Parachutisten van het Belgische leger, dat toen ontbonden werd. Vandaag ligt de citadel op de hoogte van de Allerheiligenberg en vormt ze een stille getuige van een bewogen militair verleden.

Over de R26, de ringweg rond Diest, op weg naar Schaffen.

Schaffen en de Lekdreef van Averbode

We zijn nog maar een goede vijf kilometer onderweg of het eerste herkenningspunt dient zich al aan: het vliegveld en de parachuteclub van Vliegveld Schaffen. Wanneer het weer meezit, is het hier een levendige plek. Regelmatig zie je parachutisten sierlijk uit de lucht neerdwarrelen — een bijzonder zicht dat meteen de aandacht trekt.

Aan de rand van het vliegveld staat ook een herdenkingsmonument dat verwijst naar een tragisch ongeval met een militair vliegtuig in Duitsland. De bemanning van het getroffen toestel, een C-119, en de betrokken parachutisten liggen begraven op het domein van het vliegveld.

Het herdenkingsmonument voor de bemanning en de para's van 1 Bataljon Parachutisten die omkwamen bij de crash van een C-119 Flying Boxcar in Duitsland.

Momenteel wordt de infrastructuur van het vliegveld gerenoveerd. Doordat de Belgische regering in maart van dit jaar besliste om, vanwege de huidige geo-politieke context, het 1e Bataljon Parachutisten te heroprichten, zou het in de toekomst als kwartier voor deze legendarische legereenheid kunnen fungeren.

De regio waarin deze route zich verder ontvouwt, wordt sterk gekenmerkt door lintbebouwing. Dat betekent ook: snelheidsbeperkingen en verkeersdrempels die het tempo bepalen.

Zicht op de monumentale Abdij van Averbode vanaf de N165. Rechts van deze weg, net buiten de kloostermuren staat de eik die punt markeert waarop de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg samenkomen.

Al vrij snel, rond kilometer 20, komen we aan bij een klassieker: de “Lekdreef” te Averbode, vlakbij de Abdij van Averbode.Een enkele zonnestraal volstaat hier om de typische kraampjes langs de dreef hun luiken te laten openen. IJsjes, gezelligheid en een vleugje nostalgie maken dit tot een ideale plek om even halt te houden en te genieten van de sfeer. Een uitgelezen plaats om mede-motorrijders te ontmoeten.

De Witte van Zichem.

Met de aankomst bij de Abdij van Averbode bevinden we ons meteen in de streek van Ernest Claes, de auteur van De Witte van Zichem. Het verhaal van “de Witte” speelt zich grotendeels af in en rond Zichem, begin 20ste eeuw. Hoofdpersonage Ludovicus ‘Lewie’ Verheyden is een jongen van negen jaar die samen met zijn ouders en broers op een boerderij woont. Zoals zoveel kinderen uit die tijd heeft hij een grondige hekel aan school — en dat laat zich merken.

De Zichemse maagdentoren figureerde niet alleen in de films over de Witte van Zichem, maar ook in Wij Heren van Zichem en is tegenwoordig een landmark in de semi-klassieker Dwars door het Hageland.

Lewie staat bekend om zijn streken en kattenkwaad: hij steelt of troggelt geld af van zijn broers, pest de hond van de schoolmeester, ontvreemdt sigaretten bij winkelier Boon en doet zich zelfs opzettelijk ziek voor door een volledige ui op te eten om maar niet naar school te moeten. Ook het vernielen van vogelnesten en zijn familie meermaals laten geloven dat de aardappelen nog niet gezouten zijn, behoren tot zijn repertoire.

Zijn streken blijven zelden onopgemerkt, en straffen volgen dan ook onvermijdelijk. Een van de meest sprekende straffen krijgt hij wanneer hij, tegen het verbod van zijn moeder in, gaat zwemmen in de Demer. Zijn moeder haalt zijn kleren weg, waardoor hij naakt naar huis moet lopen — een vernedering die hem nog lang bijblijft.

Wanneer Lewie dertien wordt, beslissen zijn ouders dat hij op het land moet gaan werken. Daar heeft hij echter weinig zin in. Hij kiest zijn eigen weg en gaat op zoek naar werk. Uiteindelijk komt hij terecht in de drukkerij van de abdij van Averbode — een plek waar fictie en werkelijkheid in deze streek mooi samenkomen.

De basiliek is een meesterwerk van de Antwerpse 'Uomo Universale' Wenceslas Coberger.

Amper tien kilometer verder komen we aan in het in Vlaanderen wereldbekende Scherpenheuvel. Midden in het centrum, licht verheven, troont de imposante Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel — het bekendste en oudste bedevaartsoord van Vlaanderen.  De basiliek werd ontworpen door de Antwerpse architect/schilder/schrijver Wenceslas Cobergher en wordt als diens meesterwerk omschreven.

De basiliek is een van de oudste koepelkerken van België, met de eerste bouwwerken die teruggaan tot het begin van de 17de eeuw. Binnenin vind je onder meer schilderijen van de Vlaamse meester Theodoor van Loon, die bijdragen aan de rijke historische en artistieke uitstraling van het gebouw.

Op een zonnige dag kan het hier bijzonder druk zijn en wandel je letterlijk over de koppen van de bedevaarders. Is het weer wat minder, dan biedt zich een ander soort rustmoment aan. Aan de ingang van de basiliek vind je tal van kraampjes waar je een noveenkaars kan kopen — voor je zielenheil, vele veilige ritten en hopelijk vooral veel mooi motorweer.

Tijd om opnieuw op de motor te stappen en te genieten van de mooie binnenbaantjes. Het landschap ondergaat stilaan een verandering: waar eerst landerijen en grasweiden met bonte koeien het beeld bepaalden, maken die plaats voor uitgestrekte boomgaarden — en dan vooral perenteelt. Kortenaken staat bekend als een van de gemeenten waar deze perenboomgaarden talrijk aanwezig zijn.

Niet veel later kom je in Rummen, waar een eerder onopvallend detail toch de moeite waard is. Aan de kerk vind je, rechts van de ingang, een ingemetselde gedenksteen uit de 17de eeuw. De afgebeelde personen zijn Jan van Hoen en zijn echtgenote Joanna van Gulpen. Wat vandaag een rechtopstaande steen is, lag oorspronkelijk horizontaal op een verhoogde sarcofaag van zwart marmer in het koor van de oude kerk. De figuren worden afgebeeld in de bloei van hun leven, rond hun dertigste — ook al overleed de vrouw op latere leeftijd. Dergelijke voorstellingen noemt men “gisanten”, een bijzondere vorm van grafkunst.

Naast de kerk staat een opvallend wit gebouw dat op het eerste gezicht weinig bijzonder lijkt. Toch schuilt er een opmerkelijk verhaal achter. Het werd in 1863 gebouwd door Maria de Fraiture, echtgenote van Baron de Succa. De baron stond bekend om zijn talrijke avontuurtjes en minstens even talrijke nakomelingen. Het huis kreeg dan ook een veelzeggende bijnaam: het huis van de “troost voor de bedrogen weduwe”.

Stevoort en richting Herkenrode

In Stevoort stond al in de 11de eeuw een kasteel, oorspronkelijk een waterburcht. Uit die vroege periode is vandaag nog de vierkante zuidoostelijke hoektoren bewaard gebleven — een stille getuige van een ver verleden.In 1922 kwam het kasteel in handen van de Zusters van Berlaar, die er een huishoudschool met internaat oprichtten onder de naam Mariaburcht. Doorheen de jaren groeide dit uit tot een volwaardige secundaire beroepsschool.

Rond het kasteel lag ooit een uitgestrekt park, het zogenaamde sterrebos. Helaas is daar vandaag nog maar weinig van over, door de aanleg van wegen, woonwijken en de uitbreiding van de school. Vanop de weg is het kasteel daardoor moeilijk te bewonderen — wat ergens jammer is. Gelukkig biedt het dorpsplein wel voldoende gelegenheid om even halt te houden voor een drankje of een hapje, eventueel op een gezellig terrasje.

Amper vier kilometer verder scheren we rakelings langs Hasselt. Toch slaan we deze keer de stad over, want iets verderop wacht een mooiere en rustiger halte: de Abdij van Herkenrode.

Abdij van Herkenrode: macht en geschiedenis

Momenteel lijkt de Abdij van Herkenrode één grote bouwwerf — en dat is ze ook. Er wordt volop gewerkt aan een grootschalige restauratie. Toch blijft het, zelfs met stellingen en machines, een indrukwekkend geheel dat nog altijd een gevoel van status en macht uitstraalt.

De abdij is een voormalig klooster van cisterciënzerinnen. In 1192 verkocht graaf Gerard van Loon een stuk grond aan een religieuze gemeenschap, met als doel de bouw van een abdij te financieren én tegelijk de Derde Kruistocht te ondersteunen. Nog geen halve eeuw later groeide Herkenrode uit tot de eerste, grootste én rijkste vrouwenabdij van de orde in de Nederlanden. De zusters noemden zichzelf trots “des nobles dames de l'ordre de Cîteaux du comté de Looz”.

Een goederenregister uit 1793 toont hoe indrukwekkend die rijkdom was: met meer dan 3.100 hectare grond, veertien grote landbouwbedrijven en verschillende woningen behoorde Herkenrode tot de absolute top in de regio. Het jaarlijkse inkomen bedroeg toen bijna 95.000 gulden — een enorm bedrag voor die tijd.

Binnen de abdij leefden verschillende groepen samen: koordames (de adellijke zusters), conversen of werkzusters, en daarnaast ook enkele mannelijke religieuzen. Verder vonden ook pachters, ambachtslui, gasten en pelgrims er onderdak, wat de abdij tot een levendige en zelfvoorzienende gemeenschap maakte.

Net als Borgloon krijgt ook Herkenrode een doorkijkkerk.

Van het oorspronkelijke 12de-eeuwse klooster is vandaag, op de funderingen na, niets meer zichtbaar. Mogelijk dateert de onderbouw van de watermolen aan de Demer nog uit die vroege periode. De gebouwen die je vandaag ziet, zijn hoofdzakelijk opgetrokken tussen de 16de en 18de eeuw — en vormen nog steeds een indrukwekkend historisch geheel.

Holderdebolder naar Zolder

Nog steeds in de provincie Limburg, en voor elke petrolhead haast onweerstaanbaar: het Circuit Zolder in Zolder-Bolderberg. De geur van benzine en verbrand rubber hangt er vaak letterlijk in de lucht. Meestal kan je vrij rondlopen op en rond de paddock en zo van dichtbij de snelheid voelen en horen van voorbijrazende motoren — een belevenis op zich.

Ook tijdens de week kan je op Circuit Zolder terecht om eens een kijkje te nemen bij een circuitdag op twee of vier wielen.

Voor we het Albertkanaal oversteken, passeren we nog een voormalige kolenhaven. Vanop de brug heb je een mooi uitzicht over dit gebied, dat vandaag een recreatieve invulling heeft gekregen. In de jaren 30 van de vorige eeuw was dit een drukke overslagplaats waar steenkool, aangevoerd per spoor vanuit de mijnen, werd overgeladen op schepen om via het Albertkanaal verder vervoerd te worden.

De oude kolenhaven in Zolder kreeg een recreatieve invulling.

Nog een goede vijftien kilometer en deze halvedag citytrip rond Diest loopt stilaan op zijn einde. Onderweg is er nog een kleine omweg mogelijk: rond kilometer 99,5 kan je, door links in plaats van rechts af te slaan, een bezoek brengen aan de duizendjarige eik en zijn “twee zonen” — indrukwekkende natuurmonumenten die de moeite van een korte detour zeker waard zijn.

De duizendjarige eik van Lummen.

Een rit om van te genieten,  zowel van de omgeving als van de vele mogelijke stopplaatsen en uiteraard van de vertrek en eindplaats. En als het even meezit loop je misschien de motorliefhebber en oude rocker Guy Swinnen (the Scabs) tegen het lijf.

 

Tekst: Wim Depraetere

Foto's: Pieter Pacques

Geschreven op 18 juni 2026
© Motoren & Toerisme