Vrouwen in Pakistan: ‘Studeer langer, trouw later!’

Toen Trui en ik in 2007 besloten als twee meisjes door zeven moslimlanden te rijden, kregen we van zowat iedereen de vraag of dat wel een goed idee was. Want landen als Iran hebben op gebied van vrouwenrechten een bijzonder slechte reputatie. De werkelijkheid is vaak genuanceerder dan het vooroordeel, bleek toen, na zeven maanden reizen. En toch staat dat vooroordeel nog steeds flink overeind, want toen Jo en ik aankondigden dat we door Pakistan wilden rijden, werd er ook nu flink gefronst. Tijd om ook daar de proef op de som te nemen dus.

Trui besloot ons te vergezellen. Zij was in 1998 en in 2003 al door Pakistan gereisd, en wou wel eens zien hoe de wereld daar veranderd was. Uit haar verhalen herinnerde ik me vooral dat ze, zeker in het zuiden, gewoon geen vrouwen had ontmoet in het openbare leven. Zij en Iris hadden er als westerse vrouwen geen problemen ondervonden – voor westerse vrouwen gelden altijd en overal andere regels – maar het weegt wel, na een tijd, als je door zo’n ‘men only’-omgeving reist. In het noorden ligt het ietwat anders. Daar is de meerderheid van de bevolking Ismaïli, een progressieve sjiitische tak van de islam, en vrouwen hebben daar traditioneel merkelijk meer bewegingsvrijheid en meer rechten. Ook de kledingvoorschriften zijn er wat losser, en onderwijs voor meisjes wordt sterk aangemoedigd: we zien overal in het straatbeeld groepen schoolmeisjes in uniform.

Via via belanden we bij Anita. Ze runt een guesthouse in Shigar, maar leidt ook al jaren allerlei vrouwenprojecten, met de focus op onderwijs, alfabetisering en financiële onafhankelijkheid. Ze is een groot voorvechter van (langer) onderwijs voor vrouwen. Haar motto is even eenvoudig als revolutionair: ‘Studeer langer, trouw later.’ Zelf is ze op haar dertiende uitgehuwelijkt, waardoor ze haar studies moest afbreken. Die tijden zijn hier in het noorden gelukkig voorbij, en meisjes studeren dezer dagen veel vaker verder: al haar dochters hebben tot hun dertigste gewacht met trouwen en een opleiding gevolgd. Een van hen leidt nu een kledingatelier waarin ze 25 vrouwen opleidt en tewerkstelt, de andere werkt voor een Amerikaanse ngo die hier een fruitteeltproject runt en de derde begeleidt lerarenopleidingen. Steeds meer Pakistaanse vrouwen werken buitenshuis, en als we mannen vragen wat ze daarvan vinden, is het antwoord vaak positief, omdat het ‘economisch beter is.’ Al blijven veel hoger opgeleide vrouwen vooralsnog thuis eens ze kinderen hebben, vertelt Anita ons.

In Passu ontmoeten we een groep vrouwen uit Shimshal, een afgelegen bergdorp dat altijd al een erg progressieve reputatie had: door de harde levensomstandigheden maken vrouwen er automatisch deel uit van het openbare leven, want iedereen moet zijn deel doen. Ze zijn hier voor een workshop van de Aga Khan Foundation: elk van hen pitcht haar business project, en wie uitgekozen wordt, krijgt ondersteuning bij het opzetten van haar start-up. De projecten zijn bijzonder divers, van het opzetten van een lokale modelijn tot een eerste schoonheidssalon in het dorp, maar alle vrouwen zijn even mondig als gemotiveerd. Het is een welkome afwisseling in deze mannenmaatschappij. Fuzia vertelt ons zelfs dat haar broer haar leert motorrijden, weliswaar voorzichtig, want de Shimshal Road prijkt niets voor niets op de ‘World’s Most Dangerous Roads’-lijst.

Maar al bij al zien we heel weinig vrouwen in het straatbeeld, zeker wat zuidelijker. Het hele openbare leven, winkels, cafés, restaurants, banken, dit hele land is nog steeds één grote ‘man’s world’. Toch voelt het – voor ons dan toch – veilig aan. Als we bij een van de talloze checkpoints weer eens thee aangeboden krijgen en bij gebrek aan stoelen met de soldaten op hun bed een sigaret roken – iets wat ik in pakweg Rusland of Italië nooit zo onbevangen zou doen – hangt er geen enkele spanning in de lucht. Altijd weer die vriendelijke hoffelijkheid. Welcome to Pakistan. 

Tegelijkertijd zijn we ons er zeer van bewust dat de vrijheid die wij hier hebben een gevolg is van het feit dat wij westerse vrouwen zijn. Als we vrouwen kruisen op straat, of het nu rijkere toeristen uit het zuiden zijn of lokale vrouwen die we tegenkomen in de kleine dorpen, vertellen die ons telkens weer hoe geweldig ze het vinden dat wij alleen op reis zijn, zonder mannen. En dat het zo cool is dat we niet getrouwd zijn en geen kinderen hebben, en dus vrij zijn.Freedom!’ klinkt het telkens weer. Het enthousiasme in hun stem verraadt dat zij hierin geen keuze hebben. Want ook al hebben ze een progressieve man, de tradities hier zijn nog te sterk en te dwingend.

Mobiliteit zou daar ongetwijfeld veel aan kunnen verhelpen: alle vrouwen die we zien, zitten achterop bij hun man, en we zien ook erg weinig vrouwen aan het stuur van een auto. Toch vond Trui ook hier een heel bijzondere vrouw voor haar Baanbreeksters-project. Meer daarover in ons reisverslag en in haar boek.

Meer weten?

In het juninummer van Motoren & Toerisme lees je het tweede deel van Gaea’s reisverhaal over Centraal-Azië.

Geschreven op 4 augustus 2026
© Motoren & Toerisme