Offroad naar de rand van Europa: de reis

Deel 1: Frankrijk en Italië

Wat heb ik Frankrijk vervloekt … Ploeterend door de modder van het noorden, in geulen zo diep en glibberig dat ik met mijn volle gewicht moest vechten om grip te houden, vroeg ik me meer dan eens af waar ik aan begonnen was. Pas in het diepe zuiden, tussen golvend graan en lavendel, maakte ik kennis met de geneugten van la douce France. Maar daarna wachten de ongenaakbare bergtoppen van de Italiaanse Alpen …

Mijn reis begint vroeg in de ochtend, met een tasje koffie bij de lokale bakker in Calais. De eerste kilometers met een volgeladen motor voelen onwennig aan, en van een rustige start is er geen sprake. Meteen krijg ik voorgeschoteld waar ik als rijder het minst van hou: diepe tractorsporen en hoog opgeschoten gras dat elk spoor verbergt. Noord-Frankrijk bestaat vooral uit uitgestrekte akkers met tarwe en andere gewassen, afgewisseld met bossen waarin het venijn verscholen ligt in de schaduw. De paden zijn bezaaid met diepe groeven, blijkbaar berucht bij enduro- en 4x4-rijders. De okergele leemgrond voorspelt niet veel goeds. Ik krijg groeven voorgeschoteld waarin de motor haast volledig verdwijnt. Spelend met mijn gewicht zoek ik naar grip. Dat ik er heelhuids uitkom, mag een kleine overwinning heten. Het terrein laat zich niet temmen en dwingt je tot nederigheid. Tijd om iets te eten en drinken om op positieve gedachten te komen.

De namiddag verloopt rustiger. Open, snelle graveltracks worden afgewisseld door gestuntel tussen de velden. Ik begin er plezier in te krijgen, tot een verborgen spoor de motor onverwacht naar zich toe trekt. De achterrem blijft ergens achter haken, het rempedaal plooit dubbel en ik ga tegen de grond. Ik kom er vanaf met wat stijve spieren, maar de motor krijgt een flinke tik. Gelukkig heeft mijn Airbnb een garage en blijkt de welwillende gastheer een bankschroef te hebben. Dat redt de avond, al krijg ik het rempedaal met geen mogelijkheid terug recht. Ik ben uitgeput, en voor het eerst schiet de vraag door mijn hoofd: waar ben ik aan begonnen?

Van grote dromen naar klein geluk

De dagen die volgen brengen geen verlichting. De lange droogte die we ook in België hebben gekend, slaat net om op het moment dat ik deze reis wil starten. De velden lijken meer op zwembaden en nat gras wordt mijn vijand nummer één. Ik maak een mental note voor mijn dagboek: nog maar een paar dagen onderweg, en ik denk al aan terugkeren. Het kost me een uur om een paar honderd meter vooruit te komen, alles zit onder de modder en zelfs mijn remmen geven het op. Eenmaal door dat stuk heen, kan ik er gelukkig om lachen. Een lokale automonteur denkt het probleem met wat remmenreiniger te verhelpen. Niet dus: ik heb een carwash met hogedrukspuit nodig.

Is dit nu die geweldige Trans Euro Trail? Of ben ik gewoon een slechte rijder? Ik laat de Bourgogne-streek voor wat ze is. Genoeg mensen hadden me al gewaarschuwd voor omgewaaide bomen en verzopen tracks. Het is tijd voor een dagje asfalt en opbeurende muziek. 'Cardo, play music.' Wat me door die eerste week sleept, zijn simpele dingen: een stokbrood, een blok kaas, een potje confituur, en een bankje bij een bakker om mijn picknick op te peuzelen. Frankrijk staat bekend om zijn fijne keuken en lekkere streekproducten, maar het zijn niet de sterrenrestaurants die ik hier leer waarderen. Het is de eenvoud. Een goeie warme maaltijd en twee koffies voor tien euro, dat voelt voor mij als pure luxe. Tot nu toe heeft Frankrijk me niet echt gegeven wat ik had verwacht. Maar misschien is dat ook de bedoeling. Grootse dromen hebben plaatsgemaakt voor kleine momenten van geluk.

De eenvoud voelt hier als pure luxe

Onverwachte metgezel

Halverwege de Auvergne-Rhône-Alpes verandert er iets. Ik zie verse sporen op de trail, en niet veel later stuit ik op een collega-motard, gehuld in wit en oranje, zijn motor onder de modder. Lucas is een Poolse motorrijder die vanuit Duitsland naar het zuidoosten trekt. We hoeven het niet eens uit te spreken, het is meteen duidelijk dat we hetzelfde zoeken. We besluiten samen verder te rijden.

Toeval of niet, nu we met z’n tweeën zijn, worden de trails opeens een stuk uitdagender: steile hellingen vol losse stenen, het soort terrein waar je liever niet alleen voor staat. Als ik Lucas hoor zeggen dat hij het niet zal halen, is een kleine aanmoediging genoeg om hem te overtuigen dat ‘niet kunnen’ niet bestaat. Samen slaan we ons erdoor.

's Avonds wisselen we plannen uit. De mijne moeten jammer genoeg wijzigen: de passen in de Italiaanse Alpen blijven nog een week langer gesloten dan ik had verwacht. Ik besluit daarom richting de Pyreneeën te rijden. Lucas besluit mee te gaan.

Halverwege de Auvergne-Rhône-Alpes werd Lucas mijn onverwachte reisgezel

Keerpunt

De volgende ochtend, na een koude nacht met veel toiletbezoekjes, kom ik tot een inzicht dat de rest van mijn reis zal bepalen. Ik was zo gefocust op het uitrijden van de Trans Euro Trail dat ik eigenlijk nauwelijks iets van het land heb gezien behalve bossen en veldwegen; spannend en uitdagend rijden, maar ook gehaast. Maar ik voel niet meer zo de nood om mezelf te bewijzen. En een bos blijft tenslotte een bos. Ik wil meer variatie, het land zien en niet alleen het terrein. Daarom combineer ik vanaf nu de TET met panoramische routes. Dagenlang rijden Lucas en ik samen door Occitanië, kamperen we naast elkaar, en groeit er een soort kameraadschap die alleen ontstaat tussen mensen die hetzelfde ongemak delen.

Mijn inzicht bewijst meteen zijn waarde wanneer Lucas en ik, helemaal in de Pyrénées-Orientales, de Adventure Country Tracks oppikken vanaf de Col de la Descarga. Prachtige natuur en uitdagende stukken wisselen af met asfaltwegen door een zonovergoten landschap. Boven op een heuvel worden we getrakteerd op een vergezicht, dat we enkel hoeven delen met een knorrige stier en zijn kudde. Lucas weet me te vertellen dat een stampende stier een slecht voorteken is. Toch maar snel opkrassen dan. Wat een avontuur. Ik voel me weer helemaal in mijn nopjes en de twijfels die Noord-Frankrijk me bezorgde, zijn volledig van de kaart geveegd door de gesprekken en ervaringen met mijn nieuwe metgezel.

French exit

Reismoeheid bestaat. Het is het moment waarop je er klaar mee bent: met de constante stroom van indrukken, de druk om alles te moeten zien. Tijd om naar huis te gaan. Lucas voelt het blijkbaar eerder dan ik. Op een saai stuk asfalt steekt hij me ineens voorbij, en ik zie hem niet meer terug. Toepasselijk, deze ‘French exit’. Geen afscheid, geen tot ziens. Een vreemd gevoel, maar het past bij wat deze reis me leert: mensen verdwijnen soms net zo snel als ze opduiken. Ik besluit het me niet al te hard aan te trekken.

En wat blijft, is het terrein. Om me op te beuren word ik getrakteerd op een stukje Afrika in Frankrijk: een uniek landschap van rode aarde die scherp afsteekt tegen het groen. Goed zo, ik had toch al een beetje genoeg van al die prachtige vergezichten en verlangde naar wat adrenaline. En zoals je vaak hoort: je krijgt waar je om vraagt. Wat was me dat. De GS en ik kregen het verdomd zwaar. Technische, steile passages met stenen zo groot als voetballen. Mijn concentratie staat volledig op scherp, de GS gaat de uitdaging niet uit de weg. Kijken naar waar je wilt gaan, en volhouden. Het achterwiel springt van hot naar her, maar samen geraken we er.

Dat er na een berg ook een afdaling volgt, lijk ik steeds weer te vergeten. Bovendien is afdalen vaak nog moeilijker dan klimmen. Je voelt dan ineens dat er zoiets bestaat als lomp gewicht. Of beter gezegd: bagage. Terwijl ik dit schrijf, hoor ik nog het geluid van stenen die tegen de onderkant van mijn carterplaat krassen. Plots voelde ik het ABS vooraan ingrijpen – ik zat op het randje van panikeren. Ik weet nog wel dat de motor met zijn neus richting de afgrond lag. Dat vroeg om drastische maatregelen: bagage eraf, en het voorwiel met kracht terugdraaien terwijl het metaal over de grond schraapte. Dit was toch wel mijn limiet.

Na een berg volgt ook een afdaling en deze bleken een grotere uitdaging dan de beklimming

De lavendel wacht

De laatste dag in Frankrijk voelt anders dan alle voorgaande. Ik slaap voor het eerst onder de blote hemel, zonder buitentent, en val in slaap terwijl ik sterren tel. De ochtend begint rustig: koffie in een ontwakend stadje, een ontbijt op een berg met uitzicht. Onderweg houd ik halt voor een kudde schapen. Ik zet de motor uit en wacht geduldig terwijl twee herdershonden de dieren rond me leiden; de herder bedankt me voor mijn geduld.

De trails verlopen soepel, maar het asfalt ertussenin is een welkome afwisseling. In een slaperig Frans dorpje koop ik krokant gebakken brood bij een bakker waar je alleen cash kan betalen. Met mijn stokbrood, stuk worst en potje confituur vlei ik mij neer op een bankje op het dorpsplein.

Het is hier, in het zuiden, dat ik de Fransen pas echt leer kennen. Hun rijgedrag mag dan ‘assertief’ en ongeduldig zijn, in de winkel gaat alle haast overboord; daar wacht een hele rij Fransen braaf terwijl iemand rustig een praatje maakt met de verkoopster. Twee gezichten van hetzelfde volk, en ik leer ze allebei accepteren en waarderen.

Ik eindig de dag op een plek waar alles samenkomt: links de lavendelvelden, rechts golvend graan, en recht voor me de contouren van de Alpen. Ik heb Frankrijk vervloekt tussen de velden in het noorden. Ik heb het leren waarderen in het zuiden – het land, het eten, en uiteindelijk ook de mensen. Wat de Alpen me zullen brengen, weet ik nog niet. Mijn eerste avond begint alvast met een kort maar krachtig onweer. Typisch.

De Via del Sale, en wat niemand je vertelt

De Via del Sale opent vandaag haar deuren. Eeuwenlang trokken muilezels over deze route door de Franse en Italiaanse Alpen om zout van de Middellandse Zee naar het binnenland te vervoeren. Vandaag staat de bergkam vooral bekend om zijn spectaculaire vergezichten en kronkelende bergpaden. De Via del Sale zelf stelt rijtechnisch niet veel voor. Maar het is een mooie gravelroute, met uitzichten die je haast doen vergeten dat je eigenlijk gewoon aan het rijden bent. Misschien is dat ook precies wat ze moet zijn: een beloning na alles wat eraan voorafging.

Net voor je vanuit het zuiden de Via del Sale bereikt, passeer je het Parco Naturale Regionale delle Alpi Liguri. Veel grote stenen, een smal spoor langs een afgrond, en op enkele enduro's en twee KTM 990’s na heb ik er niemand gezien. Eenmaal boven op de top van Passo Tanarello voelde ik me opgeladen. Dit is precies het rijden waar ik zo lang naar heb gehunkerd: hoogtemeters en overweldigende bergtoppen.

Veel rijders serveren deze regio af. ‘Je kan dit met straatbanden’ en ‘Italië heeft niets te bieden’ zijn uitspraken die ik vaak hoor. Het klopt dat de Valle Maira, Valle Grana en Valle Stura grotendeels beschermd zijn – en terecht: het zijn prachtige gebieden die dat verdienen. Ik ben blij dat we ze via asfalt nog mogen doorkruisen. De dag dat die weg ook dichtgaat, verliezen we iets wat niet te vervangen is. Wie nog niet overtuigd is, moet naar Sampeyre gaan. Daar vind je smalle single trails door de bossen, technische beklimmingen, een groepje koeien op je pad, en een broodje ham met een zelfgeteelde tomaat bij een lokale bergherder. Geen toerisme. Gewoon het trage leven. En boven dat alles: Lago di Lauson. Een van de mooiste plekken in de regio, waar bijna niemand het over heeft. Ik heb er een uur stilgestaan. Gewoon kijken en alles in je opnemen.

Door de sneeuw

Het is niet de eerste keer dat ik over de Colle del Sommeiller rijd – een van de meest legendarische passen van de westelijke Alpen – maar wel de eerste keer zo vroeg in het jaar. Op de camping wordt er veel gesproken over de vraag of de top bereikbaar is. Koning Winter heeft hem blijkbaar nog steeds in zijn greep. Toch ging het vandaag gebeuren. Ik moest en zou tot boven geraken.

Ooit werd deze pas gebruikt om ook tijdens de zomer te kunnen skiën, maar doordat de gletsjer zich de laatste jaren zo snel heeft teruggetrokken, is het skiresort in verval geraakt. De eerste beklimming brengt me naar het Plateau van de Doden — een vlakte net onder de top, omringd door imposante pieken. Prachtig. Maar wat ik in de verte zie, zet me meteen op scherp. Donkere wolken vormen een muur boven de top. Soms denk je niet al te veel na en ga je er gewoon voor. Ik ben er bijna. Genoeg tijd om de wolken voor te zijn – dacht ik toch. De laatste hoogtemeters bestaan uit grote keien en diepe sporen. Nog drie bochten. En dan … stop. Een dikke laag sneeuw blokkeert de weg. Onmogelijk om hier door te komen. In de verte zie ik een kleine graafmachine die het pad probeert vrij te maken. Poging mislukt.

Dan maar terug naar de camping. De wolken hebben de tijd gebruikt om me te omsingelen. Ik heb niet veel tijd om mijn teleurstelling te verwerken, ik moest beneden zien te geraken. Dat lukt net op tijd. De volgende ochtend hoor ik dat de Colle door een zwaar onweer is geteisterd. Meteen schiet een gedachte door mijn hoofd: wat als dat onweer de sneeuw heeft weggewerkt? Wat als ik opnieuw probeer?

Maar de Italiaanse instanties denken daar anders over. Een simpele barrière verspert de weg, zonder waarschuwingsborden. Stoute schoenen aan en erlangs. De graafmachine heeft zijn job gedaan: het pad is open. Blijkbaar ben ik niet de enige met dit idee. Boven op de top ontmoet ik enkele Nederlanders die met gewone straatbanden omhoog zijn gereden. Ik laat de GS staan. Samen ploeteren we door een dikke laag sneeuw naar de top. Simpel zou je denken, maar de sneeuw is verraderlijk: bij elke stap zak je weg– bij elke stap een nieuwe ontdekking of een plotse valpartij. Daar staan we dan eindelijk, 3.009 meter boven de zeespiegel, omringd door bergen en sneeuw. Hier voel je pas echt hoe klein wij mensen zijn: mieren op een grote bol. De wereld is groots. En mooi.

Met z’n drieën op het dak

Motorrijders zijn toch wel echt een ras apart. ‘s Avonds op de camping kom ik in contact met Micha en Noa, twee Duitse politieambtenaren met een liefde voor offroad rijden. Er is duidelijk een klik want we beslissen om de dag erna samen op pad te gaan. We gaan niet zomaar een beklimming doen: de Forte Jafferau is berucht om zijn agressieve skislope die tot 2.805 m gaat. Ik mag mijn bagage in hun wagen achterlaten.

Nu ervaar ik pas het ware agressieve rijgevoel van de F900GS. Dit is een totaal andere dynamiek, en ik hou ervan. De beklimming via de steile skipistes aan de westkant is een beproeving voor mens en machine. Op een bepaald punt beland ik links waar ik rechts moet zijn. Een spinnend achterwiel op fout gelegde stenen. Dan maar terug. Remmen heeft geen zin – dus daal ik af op de koppeling, zoals het hoort. Daarna volle gas naar boven, waar Noah en Micha staan te wachten met een brede glimlach.

Samen de top bereikt!

We denken allemaal dat we het hebben gehaald, maar er ligt nog één sneeuwveld tussen ons en de top. De sneeuw is hard als ijs, er is geen doorkomen aan. We zoeken een alternatief. Een smal paadje langs de afgrond lijkt de enige optie. We zien hoe anderen naar het sneeuwveld kijken en meteen afhaken. Maar wij laten ons niet kennen, we vechten ons erdoor met onze motoren. Gelukkig zijn we samen; zo is er altijd iemand die kan verhinderen dat een motor dieper wegzakt, richting afgrond.

Eindelijk zijn we boven op het fort. We staan met z’n drieën op het dak van de berg. Er wordt niets gezegd, woorden zijn overbodig.

De afdaling via de lange oostelijke zijde is minstens even indrukwekkend. Maar er bekruipt me een vreemd gevoel. Ik moet straks alleen verder. Elke meter naar beneden betekent een meter dichter bij het onontkoombare afscheid. Bij de camping belaad ik de GS terug. Een dikke knuffel later is het dan zover. Ik mis hen nu al, en ik moet nog zo ver …

Foute beslissing

De westelijke Alpen waren de climax. Het noorden is de stilte erna. Ik heb me de afgelopen dagen enorm geamuseerd met offroadrijden. De F900GS en ik hebben een onverbrekelijke band opgebouwd; we zijn samen door heel wat penibele situaties geraakt. Nu hebben we te maken met temperaturen tegen de 40 graden en lange stukken asfalt. Bij het Gardameer dacht ik nog één stukje offroad te vinden. Maar de Passo Dosso Alto was afgesloten door een landverschuiving. Van de Dolomieten had ik eigenlijk, buiten prachtige vergezichten, niet veel verwacht. Maar ze verrassen mij aangenaam. Parco della Lessinia is eentje om zeker niet over te slaan. Een ‘scenic’ gravelbaantje met als uitzicht het begin van de Dolomieten.

Ik speel vandaag een kat-en-muisspel met de regen. De wolken zien er dreigend uit maar ze krijgen me niet te pakken. Nog maar net boven Trente breekt de hel los. Ik kan nog net op tijd schuilen bij een kerk. De straten rond de kerk staan in no-time blank, maar ik ben veilig. De cafébazin ziet me treurig tegen de muur leunen en nodigt me uit voor koffie. Daar zeg ik natuurlijk niet nee tegen. Even opwarmen en alle regenkleding aantrekken.

Benieuwd hoe Gwenny deze BMW uitrustte voor het ultieme avontuur? Dat lees je in zijn voorbereidingsdossier in M&T juni.

Als het is opgeklaard, kan ik weer verder. Maar ik maak een grote fout, die ik volledig te danken heb aan mijn overgroot ego: in plaats van de vallei te volgen, klim ik opnieuw hoger de bergen in. Ik zit al diep in de bergen richting Rifugio Fedaia als de wind en regen opnieuw aanwakkeren. Deze keer geen veilige kerk, maar een 'dak' van bomen die hard door elkaar worden geschud. Ze geven hun strijd met de regen als snel op en ik krijg de volle laag. Door de bladeren heen zie ik het spervuur van bliksemschichten, terwijl ik langzaam maar zeker tot op het bot verkleumd raak. Waterdichte botten worden plots grote klompen die het water binnen houden. De koude is gewoon niet meer te verdragen. Ik moet hier weg. Nog eens schuilen is geen optie meer, alleen doorrijden.

Ik ben helemaal op wanneer ik uiteindelijk in de verte de rifugio zie: boven op de berg brandt een gezellig licht, terwijl de elementen hier buiten te keer gaan. Koud en uitgehongerd wandel ik binnen. De uitbater is vriendelijk en geeft me de laatste beschikbare kamer. Terwijl de warme douche het gevoel in mijn handen terugbrengt, hoor ik de waarschuwende stem van mijn grootouders: 'Nooit de bergen in gaan bij onweer!' Natuurlijk hadden ze gelijk. Na een heerlijke penne arrabbiata leg ik me neer op bed. De dag is gedaan. Ik ben veilig – deze keer dankzij geluk, niet dankzij inzicht.

Ik dank Italië voor de vriendschappen, het lokale eten en de absoluut prachtige trails die we hebben gereden. Korte pijn dan maar. Navigatie op oost.

Frankrijk en Italië voelen nog steeds een beetje als thuis. Mijn volgende bestemming, de Balkan, is onbekend terrein. De Adriatische kustlijn van Kroatië, de voormalige slagvelden van Bosnië en de ongerepte natuur van Kosovo en Albanië … het klinkt als een avontuur. Of ik er klaar voor ben, weet ik nog niet, maar je leest er alleszins over in het septembernummer van Motoren & Toerisme. Vanaf 10 september te verkrijgen via www.tijdschriftenwinkel.be.

 

Tekst en foto's: Gwenny Bruyninckx (@rideoffscript)

Geschreven op 4 augustus 2026
© Motoren & Toerisme