Reisverhaal: Centraal-Azië - deel 1

Godot op de moto

Toen ik in 2007 met mijn motormaatje Trui Hanoulle zeven maanden lang het Oosten verkende, sloegen we aan de Chinese grens rechtsaf, richting Jemen. Het werd een prachtige reis, maar mijn verlangen naar de Karakoram Highway bleef branden. Want wie wil die mythische weg niet rijden? Met de Stelvio, de Transfăgărășan, de Pamir Highway en Manili-Leh in mijn logboek mag ik absoluut niet klagen, maar ik bleef dromen van Pakistan. En soms moet een mens zijn dromen gewoon achterna rijden. Want de tijd tikt sneller weg dan je denkt.

Voor hun eerste reis naar Centraal-Azië opteerden Gaea en Trui voor simpele, maar oerdegelijke Suzuki DR's.

Ik herinner me nog precies wat ik antwoordde, bij onze thuiskomst in 2007, op de vraag wat ik het liefste wou: ‘Meteen weer vertrekken!’ Toch zijn we bijna twintig jaar verder als Jo en ik onze motoren bij de transportfirma in Ulm afleveren, die ze per vrachtwagen naar Bishkek zal brengen. Eigenlijk wilden we vanuit Duitsland naar Kathmandu rijden, maar de druk op onze agenda’s is hoog, zodat van de geplande zes maanden uiteindelijk maar honderd dagen overblijven. En ook de geopolitieke omstandigheden zitten tegen: de landsgrenzen van Azerbeidzjan zijn nog steeds dicht, wat de route door de Kaukasus lastig maakt – die zetten we meteen op de bucketlist voor later –, en zowel Iran als Rusland liggen moeilijk voor mij; als ex-journalist moet ik zelfs voor mijn Indisch visum vooraf langs bij de ambassade. Maar goed: Bishkek - Kathmandu is ook een mooi plan, zeker omdat het voor Jo de eerste lange (motor)reis is.

De reis uit 2007 resulteerde in een fantastisch reisboek, 'Meisjes, moslims en motoren' waarvan dit de coverfoto is.

Voor onze vorige reis waren Trui en ik een jaar lang in de weer met de voorbereidingen: onze Suzuki DR’s ombouwen, routes plannen, visa en vaccinaties fiksen. Nu regelen Jo en ik alles tussendoor én vanop twee locaties, wat het niet makkelijker maakt. Lukas, een garagist gespecialiseerd in overland-motoren, brengt onze CRF’s in orde, Jo regelt alle formaliteiten voor China en de Duitse ADAC levert voor beide motoren de carnets. En Trui? Die besluit in te vliegen voor het Pakistaanse deel van de trip, want ze wil wel eens zien hoe het land veranderd is in de afgelopen 25 jaar.

Gepakt en gezakt heet dat dan.

Nieuwe regels, punt uit

Eind juli landen Jo en ik in Bishkek, de hoofdstad van Kirgizië. Al bij de eerste aanblik is het duidelijk dat de tijd hier allesbehalve heeft stilgestaan. Wat bij mijn vorige passage nog een Sovjetstad was, waar nauwelijks toeristen kwamen, is intussen een grote bouwwerf, met een flink hipsterkwartier, barista’s inbegrepen. Veel Russen zijn hierheen gevlucht bij het begin van de Oekraïne-oorlog, omdat Russisch hier nog steeds een officiële taal is. Dat die razendsnelle modernisering voor- en nadelen heeft, zal gauw duidelijk worden. Nochtans begint ons avontuur ‘vlot’, als we even vergeten dat de tolkosten voor het inklaren van de motoren ons 800 euro kosten in plaats van de beloofde 100 en dat Jo’s motor niet start – het lukt me niet om hem meteen aan de praat te krijgen terwijl er vijftien mannen op mijn vingers kijken. Op de terugweg  is het verkeer zo dichtgeslibd dat we bijna smelten, want het is hier 40 graden. Tevreden parkeren we de motoren in onze B&B. Verzekerd, zowaar, en dat voor een paar euro per dag, omdat we het zelf regelden in plaats van in te gaan op de dure scam van de lokale fixer, die ook permits voor de grensregio’s aanbiedt. Het blijkt een algemene vuistregel: Kirgizië is niet duur, behalve de dingen die toeristen nodig hebben en/of zonder kennis van de taal niet geregeld krijgen.

Maar net als we klaar staan om te vertrekken richting bergen komt de eerste sms met slecht nieuws binnen: we moeten twee dagen voor we de Chinese grens oversteken opnieuw bij de douane langs. Vloekend proberen we uit te leggen dat dat niet gaat: we willen via de Tosorpas naar de Torugart rijden en onderweg op hoogte acclimatiseren. ‘Passeren’ langs Bishkek is een omweg van vierhonderd kilometer. Maar er helpt geen lievemoederen aan: dit zijn de nieuwe regels, punt uit. ‘No paper no border’. Bizar, want sommige motorrijders krijgen wel nog gewoon een TIPP, waarmee je vrij de grens kan oversteken. Waarom weet niemand. De nieuwe regeling blijkt vooral bijzonder vaag te zijn.

Kosmonaut Joeri Gagarin prijkt aan de ingang van de vallei.

Hoge noten op hoge passen

Accepteren, zeg ik tegen Jo. Dat soort gedoe hoort bij dit soort reizen, zeker in Centraal-Azië. Dus gooien we het plan om en besluiten een paar dagen door te brengen aan de zuidkant van Issyk Kul en van daaruit de Barskoonpas (3.860 meter) te rijden. Meteen een eerste hoogtetest voor de kleine Honda’s. Die doen het prima, maar in de laatste haarspeldbochten lijkt vooral Jo’s motor zonder adem te zitten. Dat belooft – de Khunjerab-pas, op de grens tussen Pakistan en China is met zijn 4.693 meter nog een flink stuk hoger. Jo zelf heeft lucht genoeg en zet naast het bord dat het hoogste punt aangeeft onder het motto ‘hoge noten op hoge passen’ een aria in. De politieagent die onze papieren komt checken, lacht: ‘Ik zing ook. Ik ben bariton. Duetje?’ Hoewel het flink koud is boven op het plateau, picknicken we – alles voor de acclimatisatie. Daarna verkennen we een paar zijpistes, die ons door spectaculaire kloven van pas naar pas voeren; dit hoogplateau is even mooi als desolaat. Een laatste, wat technischer piste buigt af richting Tosor. De weg verandert algauw in een pad, dat in steile haarspelden 400 meter daalt. Bij de rivier, terug op 3.000 meter, herademen we, met lichte hoofdpijn. Best spannend als eerste offroad-dagje. Door velden vol edelweiss volgen we de rivier. Het landschap is hier groener, overal grazen paarden en koeien en hier en daar staat een yurt. Plots verspert een rivier ons de weg. Een waadtest bezorgt me niet alleen natte voeten (eerste en enige minpunt van mijn nieuwe ‘adventure’-laarzen: het gore-texmembraan komt niet hoog genoeg), maar maakt ook snel duidelijk dat het water te hoog staat voor een doorsteek. De motoren op het eerste ritje verdrinken is geen goed idee, dus keren we om. Het is een klassieke afweging bij dit soort reizen, en het grote verschil tussen overlanden en offroadrijden: als je motor voor maanden je huis is, spring je er toch net iets voorzichtiger mee om. Al behoedt dat je niet voor alle onheil, blijkt de dag nadien.

Fris wel, zo’n picknick op meer dan 4.000 meter.

Sleutelen en spoorzoeken

De weg naar de Tosorpas is wondermooi: na een tiental kilometers verruilen we het zandige wasbord voor een comfortabele piste, die tussen de bergflanken door omhoog slingert. Moeilijk is het nergens, maar gaandeweg worden de stenen groter en op een gegeven moment zit mijn voorwiel vast tussen twee keien. Gas, denk je dan. Wat er fout gegaan is, weet ik nog steeds niet, maar een paar seconden later hoor ik de motor loeien. De koppeling, is het eerste wat door mijn hoofd schiet. Kan het zijn dat ik hier, in the middle of nowhere, voor het eerst in 25 jaar motorrijden in minder dan een halve minuut mijn koppeling verbrand heb? Nochtans ruik ik niks raars, maar als ik de motor op het droge duw en voorzichtig gas geef, voel ik het meteen: de platen slippen door. Not funny, zeker niet omdat we een vaste datum hebben waarop we de grens met China moeten oversteken. Hier nieuwe koppelingsplaten vinden zou zonder tijdsdruk al ingewikkeld genoeg zijn. Ik schop de motor in tweede en laat hem naar beneden rollen. De moeilijke passages gaan nu noodgedwongen een stuk vlotter …

Tussen de Barskoonpas en de Tosorpas ligt een prachtig stuk niemandsland.

Na wat sleutelen aan de koppeling krijg ik mijn motor die avond weer in min of meer bruikbare toestand. Terug naar Bishkek dan maar, in de hoop dat we daar een setje koppelingsplaten zullen vinden. Ook nu valt ons op hoeveel er is bijgebouwd langs het meer; ook hier heeft de beschaving genadeloos toegeslagen. Waar iedereen ons in 2018 nog waarschuwde voor de ‘woeste volkeren’ die hier leefden en er nauwelijks logement te vinden was, schieten de vakantiehuisjes hier nu met tientallen tegelijk op. En dus wordt er ook aan de weg gewerkt: een asfaltbaan moet er komen, en snel. De hele zuidkant van het meer is een aaneenschakeling van wegenwerken, kilometerslang. Hoewel de piste vochtig gehouden wordt, veranderen de zware vrachtwagens haar onherroepelijk in een wasbord. Tegen de lunch zijn we ‘shaken and stirred’. Een van de mannen aan de tafel naast ons wijst naar Jo’s motor: ‘Big problem. Police.’ Inderdaad: door al het gerammel is Jo’s nummerplaat afgebroken. Grrr. Ik had Lukas nog zo gevraagd er een aluminium plaatje onder te kleven. Er zit niets anders op dan terug te rijden en te zoeken. Met wat scrollen door de foto’s kunnen we het zoekgebied terugbrengen tot 15 km, maar wel vol stof, modder en vrachtverkeer. Daartussen een halve nummerplaat terugvinden is … ambitieus. Drie keer rijden we heen en weer. Dan zie ik in een zanderige pothole een klein blauw hoekje met een D. Yes! Daar ligt-ie, overreden en keurig samengevouwen tot de grootte van een pakje sigaretten.

De onvermijdelijke vraag

We vieren de vondst met een theetje, als het Chinese reisagentschap meldt dat het motorbloknummer van een van de motoren fout is ingevuld op hun formulieren. Meteen checken we de carnets: ook daar blijkt één cijfer niet te kloppen. De schrik slaat ons om het hart: dat soort ‘details’ kan aan een grens voor heel veel miserie zorgen. Maar de ADAC stuurt meteen een gecorrigeerde pdf door en de Chinezen passen de papieren aan. Zo zou het geen probleem mogen zijn.

De piste naar de Tosorpas. 

Toch blijven we met een ongemakkelijk gevoel achter. Probeert iets of iemand ons duidelijk te maken dat deze hele reis een slecht idee is? Trui, die net geland is in Islamabad, lacht als ik het haar vertel. ‘Natuurlijk niet. Wees blij. Jullie pech zal nu wel op zijn, vanaf hier loopt alles vanzelf.’ Haar optimisme is verfrissend, maar wellicht ook wat naïef, want als ik vraag hoe het er daar uitziet, blijkt dat het hele zuiden nog steeds kreunt onder de overstromingen die de ongewoon zware moesson heeft veroorzaakt. Aardverschuivingen versperren hele delen van de Karakoram Highway en de Skardu-vallei en betogers blokkeren de weg tussen de grens en Sost. ‘Komt wel goed,’ zegt ze. ‘We hebben nog tien dagen.’

Better safe than sorry.

We komen op adem in Seagull Guesthouse, een guesthouse dat nog volgens de oude principes werkt, net als Hidden Valley Guesthouse. Dit zijn geen anonieme B&B’s die je op Booking.com reserveert om vervolgens door een nukkige puber te worden binnengelaten en ’s ochtends snel weer buitengewerkt. Nee, dit gezin is echt geïnteresseerd in zijn gasten. Opa komt bij ons aan tafel zitten en vertelt honderduit, terwijl ik in roestig Russisch probeer zijn vragen te beantwoorden. Als ik op het onvermijdelijke ‘Heb je kinderen?’ nee antwoordt, schudt hij triest het hoofd. Jo voert als excuus aan dat ze daarvoor een te onregelmatig leven heeft als zangeres, maar dat volstaat duidelijk niet. Ik probeer het anders, en zeg dat het niet lukt, met mijn partner. ‘Dan moet je van man wisselen,’ zegt hij kordaat. ‘Dat zou ik jammer vinden,’ repliceer ik. Hij lacht, maar blijft treurig z’n hoofd schudden. Waarna hij me een lang verhaal vertelt over zijn dochter die in Bishkek werkt en met een Chinese collega getrouwd is, die zich speciaal daarvoor bekeerd heeft, maar dat hij toch niet begrijpt waarom ze in zo’n klein appartement in de stad wil wonen. De heimwee naar het traditionele, nomadische leven van vroeger is groot – net zo groot als de drang naar een ander, moderner leven bij de jongeren.

Seagull Guesthouse is nog altijd een echt familiebedrijf.

Hotel der gestrande reizigers

Op de parking van hotel Salut in Bishkek staat een lange rij motoren. Op het terras zit een nog langere rij gefrustreerde motorrijders. Hun motoren zitten al weken vast aan de grens in Wit-Rusland. Weg vakantie. We hebben hier afgesproken met Krzysztof Samoborski, die offroad-tours met Hondaatjes organiseert en ons hopelijk een setje koppelingsplaten kan bezorgen. ‘Komt goed,’ zegt hij, en duwt ons zijn gigantische 4x4 in. ‘Eerst eten.’ En inderdaad, na een heerlijk diner in het lokale Georgische restaurant – ik heb nog nooit met zoveel spiermassa aan één tafel gezeten – duikt om middernacht een taxi op met het gevraagde wisselstuk. Nu nog morgen dat douanepapier ophalen en we kunnen nog net op tijd aan de Chinese grens raken. Denken we.

Sleutelen trekt altijd publiek ...

Maar dan krijgt Krzysztof, die ook op nieuws wacht, te horen dat er voor het weekend geen enkel voertuig meer opgehaald kan worden, omdat het computersysteem wordt aangepast en er geen documenten kunnen worden afgeleverd. Slechte zaak, want we hebben een vaste afspraak met de Chinese gids en Trui wacht op ons in Pakistan. Drive China blijkt gelukkig erg flexibel en verschuift de tourdata. Dat maakt alles wel duurder – we kunnen nu niet met de groep mee – maar we maken er het beste van (‘accepteren’), repareren Jo’s nummerplaat en verkennen de stad. Maar dan komt er een nieuwe sms: plots hebben we een verklaring van een notaris nodig, die op zijn beurt een vertaling van ons paspoort nodig heeft. En aangezien het echt dringend is, profiteert iedereen daar vrolijk van om belachelijke tarieven te vragen. Dit patroon zal zich nog dagenlang doorzetten: elke ochtend duikt een nieuw probleem op, zodat we ook die dag weer niet kunnen vertrekken.

 

Logeren in een yurt.

Jo wordt er knettergek van, en is al bijna klaar om motoren gewoon terug naar huis te sturen, als de kurk ineens uit de fles schiet: we moeten nu meteen de papieren ophalen. Maar in het douanekantoor komt de volgende grap: vanuit Naryn moeten we onder escorte naar de grens rijden. Mooi niet. We willen overnachten in Tash Rabat om te acclimatiseren, zodat we niet met knallende koppijn op de Torugart-pas staan. Bovendien kunnen we niet in 48 uur het land uit, want Bing kan ons aan de Chinese kant pas over 72 uur ophalen. Na veel discussie besluiten we gewoon te vertrekken. Ja hoor, we zullen de escort-man bellen als we in Naryn zijn – of misschien ook niet.

Kirgizisch tankstation.

Stilte en de sterren

Door alle gedoe is het aardedonker als we Naryn binnenrijden. Er is een zwaar onweer losgebarsten, overal om ons heen doen felle bliksemflitsen de hemel oplichten. Geen fijn gevoel, want een motor is niet bepaald een kooi van Faraday. Het is een goed excuus om ons een nachtje in het duurste hotel van de stad te gunnen. Als we de ochtend nadien aan het ontbijt zitten, belt de escort-man ons voor de tiende keer. We negeren de oproep, want we willen tijd winnen om van 48 naar 72 uur te komen: het laatste wat we willen is dat hij ons vandaag naar de grens brengt en we vervolgens op de Torugart-pas moeten wachten tot we China in kunnen. ‘Ah, hier zijn jullie.’ Plots staat er een jonge vrouw naast ons, vrolijk lachend. ‘Ik ben Noor, ik ben mee met mijn vriend omdat hij geen Engels begrijpt: hij is jullie escorte.’ Oeps! Blijkbaar logeert onze man in hetzelfde hotel – nu begrijpen we waarom dat escorte 100 dollar kost. Maar Noor blijkt een geschenk uit de hemel. In ruil voor een selfiesessie met onze motoren legt ze haar vriend uit dat we vandaag echt het land niet uit kunnen en de nacht in Tash Rabat willen doorbrengen. Of hij ons dus alleen wil laten rijden én zijn collega’s wil uitleggen dat we een dag later de grens zullen oversteken dan op onze papieren staat. Uiteindelijk geeft hij toe. Wij kunnen richting Tash Rabat en zij hebben een vrije dag: iedereen blij. Het is even schrikken als ik de tourist camps aan de oude caravanserai zie staan. In 2007 was hier niemand, nu staan er overal yurts en houten huisjes. Kleine busjes spugen groepjes toeristen uit die hier de nacht komen doorbrengen. ‘Zo authentiek!’ Gelukkig is het landschap nog even adembenemend mooi als vroeger: over de bergflanken draven kuddes paarden, bij de rivier staan merries met veulens te grazen. En ’s nachts, als het te koud is geworden voor de dagtrippers, vult de stilte het dal en de sterren de hemel.

Grote dank aan Noor, die onze grensovergang aan de Torugart regelde.

Het kamp slaapt nog als we de volgende ochtend richting grens vertrekken. De paarden schrikken op als we voorbijrijden en rennen langs de grindpiste een eind met ons mee. Maar zodra we de hoofdweg opdraaien, is het uit met de romantiek. Een splinternieuwe asfaltbaan slingert tussen de besneeuwde toppen omhoog. En dan, zo’n vijftien kilometer voor de grens, doemt de file op: bumper aan bumper staat een eindeloze rij vrachtwagens te wachten. Zonder aarzelen rijden we ze voorbij: we moeten in China zijn voor de grens sluit, en aangezien men in heel China maar één tijdzone hanteert (Peking Time), is er twee uur tijdsverschil. De beambte aan het loket kijkt zorgelijk naar onze papieren: onze motoren hadden het land al uit moeten zijn, en waar is onze escorte? We worden als een hete aardappel van bureau naar bureau doorgeschoven, tot de hoogste in rang met een eyeroll de papieren overneemt, ze van de juiste stempels voorziet en ons de deur uit wuift. Op papier zijn we hier al sinds gisteren niet meer, dus de beste oplossing is de realiteit daaraan aan te passen. Weg is weg, probleem opgelost.

Check, double-check, triple-check

Wij vinden het prima, en tuffen door niemandsland richting naar China. Maar daar begint het gedoe pas echt. We moeten de motoren volledig afladen (een flinke oefening op bijna 4000 meter hoogte), want alle bagage moet door een scanner. Ook de motoren worden gescand, want dat is de procedure voor trucks, dus geldt die voor alle voertuigen. Terwijl we hijgend heen en weer rennen met tassen en zakjes, wordt ons paspoort minstens tien keer gecheckt. We zouden zomaar eens in iemand anders kunnen veranderd zijn, nietwaar? Terwijl we de enige niet-Aziaten zijn in de hele hal, en ook de enige vrouwen. Tot Hedy opduikt, roze pet op het hoofd, papieren in de hand, en zich introduceert als onze gids. Niet dat het daarmee relaxter wordt … Nu worden we pas echt in het rond gecommandeerd. Het moet vooruitgaan, zoveel is duidelijk, want de echte douanecontrole moet nog komen, honderd kilometer verderop. Maar voor we daarheen sjezen gunt ze ons één minuut pauze in onze tien-uur-durende rit-met-grenzen, en tovert zowaar een brood en een hardgekookt ei uit haar tas: lunch! Meteen gevolgd door de instructie: ‘Follow the car!’ Klinkt simpeler dan het is, want de chauffeur rijdt knettergek – net als alle andere weggebruikers. Tegen de tijd we in Tuopa aankomen is Jo doodop; ik had eraan moeten denken dat ze veel minder ervaring heeft dan ik, en rijden in dit verkeer massa’s focus vraagt. Intussen moet alles opnieuw door de scanner: de bagage, de motor en wij. Maar hoewel alles eindeloos duurt, zijn ze niet bepaald grondig: hoewel ze mijn Leatherman multitool twee keer uitpakken én openplooien, vinden ze het mes niet. Gelukkig, want zakmessen zijn verboden voor motorrijders – niet voor wie met een camper rijdt want daar zit een keuken in, begrijpe wie kan. Ook de fouille, in volle motorkledij met beschermstukken, is hilarisch. Maar Hedy glimlacht tevreden: ‘Very smooth and fast today.’ Dat belooft!

De legendarische KKH voert ons dwars door Xinjiang.

Controle is koning

China openbaart zich als een land dat is bezeten van controlezucht. Nadat iemand ons een uur lang de Chinese verkeersregels heeft uitgelegd (die in de praktijk niemand volgt) en gevraagd heeft of we toch zeker een gevarendriehoek en een brandblusser aan boord hebben (maar niet gecheckt, want het antwoord is overduidelijk nee, en niemand heeft zin in de consequenties) en ons ook nog heeft doen beloven dat we in geval van panne niet zelf onze motoren zullen repareren, krijgen we een Chinees rijbewijs, Chinese nummerplaten (virtueel) en een berg papieren. Het serienummer van de motoren wordt met een potlood en een kalkpapiertje gekopieerd, terwijl alles ook nog eens tien keer digitaal gefotografeerd wordt. Eenmaal op weg botsen we om de haverklap op een checkpoint, en zodra we ook maar vijf minuten zonder onze gids rijden, worden we aan de kant gezet. De controles verlopen stroef: de agenten, zonder uitzondering met bodycam, zijn gestrest omdat ze zelf gecontroleerd worden. En omdat alle communicatie via een vertaalapp loopt – niemand spreekt een woord Engels – escaleert alles meteen. Niet dat we ver kunnen lopen; tanken kan niet zonder Chinees paspoort.

Ook de Chinezen zelf worden gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd, zeker hier in Xinjiang, een provincie waar veel etnische minderheden wonen. In het hotel wijst een bordje erop dat uitingen van religie verboden zijn. In Kashgar is, ondanks internationaal protest, de hele oude stad plat gebulldozerd en vervangen door een soort pretpark-versie, die bestaat uit niets anders dan hotels, eetkraampjes en restaurants. Chinese toeristen laten zich in lokale etnische kledij fotograferen in nagebouwde steegjes: het geheel heeft meer van een filmset dan van een eeuwenoude handelsstad, waar verschillende takken van de Zijderoute samenkwamen en die een intensieve culturele uitwisseling kende. We drinken dan maar een overprized hipsterkoffie en verheugen ons erover dat we erin geslaagd zijn het Chinese betaalapp Alipay te activeren, wat ons een minimale onafhankelijkheid en bewegingsvrijheid geeft.

Onderweg naar Pakistan.

Welcome to Pakistan

Van Kashgar gaat het richting Tashkorgan, een even mooie als vermoeiende rit over het Chinese gedeelte van de Karakokam Highway. Prachtige landschappen, maar de hoogte laat zich voelen en de chauffeur is niet van plan te stoppen. Alleen aan het officiële viewpoint bij White Sand Lake stopt hij even. Daar kan je, tegen betaling, over een aangelegd houten pad tot aan het uitzichtpunt wandelen, vanwaar je het mooie landschap kan fotograferen. Verder gaat de bewegingsvrijheid niet. De Chinezen schijnen het niet erg te vinden: de man met de witte yak, waarmee je een selfie kan nemen, doet gouden zaken. Knettergek, besluiten wij, en rijden verder zuidwaarts, terwijl de bergtoppen om ons heen steeds hoger en kaler worden.

Het officiële viewpoint bij White Sand Lake, waar je op de foto kan met een witte yak.

Maar de desolate ervaring waarop ik had gehoopt, blijkt een illusie: het is de hele dag net niet filerijden. Vergeet Instagram, de KKH is hier een topattractie. En dat is de dag nadien niet anders … ook richting is Khunjerab-pas is het druk. Tussen China en zijn Pakistaanse buur heerst er de nodige spanning, en dus reizen de Chinezen in groepjes richting grens om daar luid patriottische liederen te zingen. Wij hebben andere zorgen: na het gebruikelijke afladen-scannen-opladen-afladen-scannen-opladen krijgen onze motoren van de douane ook nog een elektronische enkelband, waarmee normaal gezien vrachtwagens verzegeld worden. Alsof ik in mijn bagage iets of iemand zou kunnen verstoppen, tussen twee scans door. En ik heb een bodycam opgespeld gekregen, want op het traject van 100 kilometer tussen Tashkorgan en de grens – waar de gids ons niet mag vergezellen en we dus alleen rijden – mogen we geen foto’s maken en niet stoppen. We nemen het niet echt ernstig, tot ik stop om een trui aan te trekken – tussen 3.000 en 4.793 meter koelt het aardig af. Meteen begint het ding in het Chinees tegen me te roepen. Knettergek, besluiten we opnieuw. Maar de rit is spectaculair mooi: door een golvend, groen landschap slingert de weg steeds hoger. Een kudde Bactrische kamelen steekt de weg over, overal grazen yaks. En dan doemt de beroemde witte poort voor ons op: de hoogste grensovergang ter wereld. We hebben het gehaald! Vijftig meter verder, maar in een totaal andere wereld, van ons gescheiden door twee hekken, zie ik een bekend gezicht: tussen een groepje jongens staat Trui, achtduizend kilometer van huis weg, enthousiast naar ons te zwaaien. Nog één gestreste Chinese agent, nog twee stempels, en dan zwaait het hek open. Een breed lachende Pakistaanse politieman wuift ons toe: ‘Welcome to Pakistan, my friends!’

Welcome to Pakistan, en dat op 4.793 meter! Foto: Hedy/Drive China

Het tweede deel van dit reisverhaal lees je in het juninummer van M&T

Tekst en foto's: Gaea Schoeters

Geschreven op 19 juni 2026
© Motoren & Toerisme