Reukorgel
Stilaan neemt de landbouw opnieuw de bovenhand. De eerste koeienstal laat zich al van ver ruiken. Tot op vandaag weet ik niet goed of ik die dierlijke geur nu aangenaam vind of net niet. Wat wél zeker is: ze markeert het begin van de landelijkheid. De mestgeur vertelt je onderbewuste dat de stad definitief achter je ligt, een soort positieve conditionering die telkens weer rust brengt.
Via een ruime boog rond Sint-Niklaas rijd ik de vallei van de Durme in. De moerassige gronden produceren een melange van nat gras, klei en riet – een geur die het buitengevoel alleen maar versterkt. Maar dat gevoel is van korte duur, want al snel doemen de centrumsteden Dendermonde en Aalst op.
In Aalst verspreidt de gistfabriek van Tereos haar kenmerkende aroma over de stad. Een warme geur van gefermenteerde granen, die onvermijdelijk blijft hangen en best indringend is. De fabriek, met haar torens naast de Dender, domineert de skyline. Een industriële kathedraal met een uniek eigen reukorgel.
Net buiten Aalst volgt een tweede geurgolf: vers gebrande koffie, of toch een subtiele hint daarvan. We stuiten toevallig op de kleine koffiebranderij Maeskes Roem, een echt familiebedrijf waar traditie letterlijk in de lucht hangt. Binnen geurt het naar vers gebrande koffiebonen. We krijgen een korte rondleiding en sluiten af met een aankoop voor thuis. Eén van hun melanges, zo horen we, is zelfs erkend als Vlaams streekproduct.