Een stadscentrum met gezellige cafeetjes, een charmante ligging aan de Nete en een muzikaal, literair en geschiedkundig erfgoed van jewelste. Het is meteen duidelijk waarom we Lier uitkozen als het vertrekpunt van een nieuwe halve dagroute.
Een stadscentrum met gezellige cafeetjes, een charmante ligging aan de Nete en een muzikaal, literair en geschiedkundig erfgoed van jewelste. Het is meteen duidelijk waarom we Lier uitkozen als het vertrekpunt van een nieuwe halve dagroute.
Felix Timmermans, De Kreuners, Louis Zimmer — het zijn maar enkele namen die onlosmakelijk met Lier verbonden zijn. De charmante stad werd de inspiratiebron voor volksroman Pallieter en volkslegendes als die van de Schapekoppen.
Veel hoogtemeters hoef je niet te verwachten. De route slingert grotendeels door de vlakke Netevallei. Vanuit Lier rijden we via Herenthout richting Herentals, verder tot Oevel en daarna opnieuw terug naar Lier. Zoals de traditie het wil, eindigt de rit waar ze begon.
Lier zelf is allesbehalve een onbekende. De stad in het hart van de Zuid-Kempen staat bol van geschiedenis en volkscultuur. Muzikaal bracht ze onder meer De Kreuners, Triggerfinger, Mintzkov en The Wolf Banes voort. Literair werd Lier vereeuwigd door Felix Timmermans, wiens klassieker Pallieter de stad en haar uitbundige levenskracht voor altijd op de kaart zette. Een plek waar cultuur, geschiedenis en levenslust samenkomen – en dus een bestemming die meer dan de moeite waard is om te ontdekken op twee wielen.
Onze route start aan de bekende Zimmertoren op het Zimmerplein, dezelfde plek waar ze 107 kilometer later ook eindigt. Handig, want cafés en restaurants zijn hier in overvloed, ideaal om de verhalen van onderweg te laten bezinken.
Voor je vertrek loont het absoluut de moeite om even stil te staan bij de Zimmertoren zelf. Origineel was het een oude vestingtoren die bekendstond als de Corneliustoren, die werd opgetrokken vóór 1425. Hij maakte deel uit van de tweede stadsomwalling, maar werd gebouwd als onderdeel van de eerste, binnenste stadsmuur.
In 1928 schonk Louis Zimmer, horlogemaker en astronoom, aan de stad een bijzonder uurwerk: de Jubelklok. Die naam verwijst naar de viering van honderd jaar Belgische onafhankelijkheid in 1930. Het uitzonderlijke mechanisme geeft niet alleen de tijd weer, maar ook kosmische en andere periodieke verschijnselen. Om dit klokwerk een passend onderkomen te geven, werd de Corneliustoren tussen 1928 en 1930 grondig gerestaureerd. Bij een nieuw leven hoort een nieuwe naam, en dus werd de Corneliustoren in 1930 omgedoopt tot de Zimmertoren.
Net achter de toren, aan de overzijde van de Binnennete, bevindt zich het Felix Timmermansmuseum. En amper honderd meter verder, op de eerste rotonde van de route, staat een opvallend kunstwerk: het beeld Pallieter en Marieke op paard Beiaard, van de hand van kunstenaar Bertro (Robert Schoofs). Het beeld verwijst naar de zin “Hij nam haar op het paard” uit de roman Pallieter van Felix Timmermans, een passage die later uit het boek werd geschrapt. In de gecensureerde scène neemt Pallieter een naakte Marieke - die net was gaan zwemmen - mee op haar paard.
Vanuit Lier volgt de route het kronkelende verloop van de Kleine Nete, tot net voorbij Gestel en het schilderachtige Hof van Rameyen. Deze waterburcht vindt zijn oorsprong in de 13de of 14de eeuw, maar werd in de 16de eeuw verbouwd tot renaissancekasteel. Doorheen de eeuwen die volgde werd het nog verschillende keren verbouwd en gerestaureerd. Eén van de bekendste bewoners was Nicolaas Rubens, de tweede zoon van Peter Paul Rubens, die hier zijn laatste levensjaren doorbracht.
Gestel zelf is een klein, pittoresk dorpje en een deelgemeente van Berlaar. Het telt slechts enkele tientallen huizen en ademt een rustige, haast tijdloze sfeer. Met een oppervlakte van amper 248 hectare was Gestel ooit de op één na kleinste gemeente van de provincie. In 1965 werd het dorp bij Berlaar ingelijfd, een beslissing waartegen de inwoners zich fel verzetten. Dat verzet haalde destijds zelfs het nationale nieuws, wat de sterke lokale identiteit van het dorp onderstreept.
Vervolgens steekt onze route de Nete over om Herenthout te bereiken. Op het eerste gezicht is dat een typisch Kempisch dorp, ware het niet voor twee opmerkelijke uitzonderingen. In de eerste plaats is Herenthout bekend als het “Stoeterdorp”: al sinds 1882 trekken de inwoners hier jaarlijks een uitbundige carnavalstoet op gang, een traditie die tot op vandaag met grote overgave wordt voortgezet.
Een tweede, meer internationale claim to fame is de legendarische Zaal Lux. Wat langs buiten oogt als een bescheiden gemeentelijke feestzaal, is in feite een plek met een indrukwekkend muzikaal verleden. Hier zetten tal van bands en artiesten hun eerste stappen richting een carrière van wereldformaat. Namen als Dire Straits, Gerry Rafferty, Gruppo Sportivo, The Cure, Herman Brood & His Wild Romance, Fischer-Z en de Nina Hagen Band prijken op de erelijst. Vandaag kan je er nog steeds een drankje nuttigen en de sinds kort ook de vernieuwde, iconische concertzaal bewonderen.
Van Herenthout is het niet ver meer naar Herentals. Kort nadat je daar het centrum binnenrijdt, passeer je de Sint-Waldetrudiskerk. De toren, het enige bewaarde restant van de 14de-eeuwse kerk, staat op een ongebruikelijke plaats tussen koor en beuk. De slanke spits uit 1901 verving een oudere, bolvormige spits uit 1796. Nog opmerkelijker is de unieke manier waarop de kruisribgewelven van het middenschip en het hoogkoor worden geschraagd — een architecturale bijzonderheid die zelden voorkomt in de kerkbouwgeschiedenis.
Iets verderop, op de Markt, rijd je langs het oude en beschermde stadhuis. Dit gebouw werd oorspronkelijk aan het begin van de 15de eeuw opgetrokken als lakenhal en fungeerde als multifunctionele markthal tijdens de economische bloeiperiode van Herentals in de middeleeuwen. Rond 1430 kreeg het gebouw officieel de functie van stadhuis. Na een grote brand werd het in 1534 heropgebouwd in gotische stijl. Toen kreeg het ook zijn kenmerkende belforttoren van ongeveer 35 meter hoog.
Onze route steekt opnieuw het Albertkanaal over, ditmaal richting Olen via Sint-Jozef-Olen. Daar werd het oude spoorweggebouw omgebouwd tot een gezellig café, waar je bij je drankje gratis een spietje taart (of iets anders zoet) krijgt geserveerd. Om het kanaal in Olen over te steken gebruiken we het sluizencomplex, dat werd aangelegd tijdens de bouw van het kanaal in de jaren 1930. Het complex bestaat uit drie sluizen en een wegbrug, en overbrugt een hoogteverschil van maar liefst 10 meter. Samen zorgen alle sluizen op het Albertkanaal ervoor dat schepen tussen een Antwerpen en Luik aan de Maas een hoogteverschil van 56 meter kunnen overwinnen.
Al bijna vanaf de sluis doemt de Buulmolen op in het landschap. Deze authentieke watermolen is in de namiddag meestal bemand: de molenaar vertelt je met plezier over de werking van de molen en zijn rijke geschiedenis. Een bezoek is bovendien gratis.
Amper twee kilometer verder bereik je het marktplein van Olen, waar een standbeeld ons herinnert aan de sage van de pot met drie oren en Keizer Karel. De bekendste versie van het verhaal gaat als volgt: De boeren van Olen dronken hun bier traditioneel uit potten zonder oor. Toen keizer Karel op bezoek kwam, besloten ze voor deze speciale gelegenheid – en om de man te eren - een pot te maken met één oor. Toen de vorst echter arriveerde, nam de waard(in) de pot bij het oor vast en reikte hem zo aan. Daardoor kon de keizer de pot zelf niet bij het oor aannemen. Bij een volgend bezoek hadden de Olenaars het probleem proberen op te lossen door twee oren aan de pot te bevestigen. Maar opnieuw slaagde de waard erin de pot met beide handen vast te houden, waardoor de keizer wederom geen oor kon grijpen. Toen Keizer Karel Olen voor de derde keer bezocht, maakten de dorpsbewoners een pot met drie oren, in de hoop nu elk probleem te vermijden. De waard bood de pot echter zo aan dat één oor tegen zijn buik gericht was — en opnieuw kon de keizer het voorwerp niet aannemen. Zo werd de pot met drie oren een blijvend symbool van Olen, even eigenzinnig als charmant.
Iets voorbij halverwege passeert de route de indrukwekkende abdij van Tongerlo. Tot in de 13de eeuw fungeerde die een tijd als dubbelklooster, waar naast norbertijnen ook norbertinessen verbleven.
Abt Arnoud Streyters verwierf in 1545, voor 450 Rijnse florijnen, een uitzonderlijk kunstwerk: een uiterst getrouwe kopie van Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci. De replica kwam toen uit de nalatenschap van Antwerpse koopman Jean le Grand, maar werd oorspronkelijk besteld door kardinaal Georges d’Amboise, voor zijn kasteel in Gaillon.
Het monumentale schilderij meet bijna 34 vierkante meter (4,24 x 8,02 meter) en zou tussen 1506 en 1507 zijn vervaardigd onder toezicht van Leonardo da Vinci, vermoedelijk door zijn leerling Andrea Solari, al wordt die toeschrijving door sommige kunsthistorici betwist. Volgens Amerikaanse experts geldt het werk als de beste bestaande replica van het verloren gegane origineel uit 1498. Opmerkelijk is dat de hoofden van Jezus en Johannes door sommigen aan Leonardo zelf worden toegeschreven, aangezien onder deze partijen geen voorbereidende schetsen zijn aangetroffen.
Vandaag haalt de abdij haar inkomsten onder meer uit een boekhandel, een bakkerij en het bekende Tongerlo Abdijbier - dat, voor alle duidelijkheid, niet binnen de abdijmuren wordt gebrouwen maar bij brouwerij Haacht.
Nu loopt de route langs kronkelende, hoekige binnenwegen door de dorpen Wiekevorst, Itegem en Koningshooikt opnieuw richting Lier. Ter hoogte van het inmiddels ter ziele gegane busbedrijf Van Hool rijden we de Aarschotsesteenweg op, die rechtstreeks naar het stadscentrum leidt.
Eenmaal terug in Lier passeer je de Vismarkt en dan de Sint-Gummaruskerk, te herkennen aan de markante toren die door de Lierenaars liefkozend de “pepermolen” wordt genoemd. Iets verder eindigt de rit terug waar ze begon: op het Zimmerplein.
Dit was geen halve dagrit met eindeloze slingerbochten, maar wel een ontspannen en aangename rit met meer dan voldoende interessante stopplaatsen.
O ja, nog dit: Lier behoorde — samen met Oudenaarde, Menen en Gent — tot de eerste steden die hop gebruikten bij het brouwen van bier. Als dat geen goed excuus is om je rit af te sluiten met een kelk gerstennat … de alcoholvrije variant, natuurlijk.
Tekst: Wim Depraetere
Foto's: Pieter Pacques